Convergentieverslag, juni 2026
Deze taalversie van het Convergentieverslag bevat niet elk hoofdstuk. Het volledige verslag is in het Engels beschikbaar op de website van de ECB.
1 Inleiding
De euro werd al in 21 van de 27 EU-lidstaten ingevoerd. In dit verslag wordt gekeken naar vijf van de zes lidstaten die de gemeenschappelijke munt nog niet hebben ingevoerd, namelijk Tsjechië, Hongarije, Polen, Roemenië en Zweden. Die landen zijn conform het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna ‘het Verdrag’)[1] verplicht op de euro over te gaan. Dat houdt in dat ze ernaar moeten streven aan alle convergentiecriteria te voldoen. De zesde lidstaat, Denemarken, heeft een bijzondere status en wordt daarom niet behandeld in dit verslag.[2]
Met de productie van dit verslag voldoet de ECB aan het in artikel 140 van het Verdrag neergelegde vereiste. Op grond van artikel 140 moeten de Europese Centrale Bank en de Europese Commissie ten minste eens in de twee jaar, dan wel op verzoek van een EU-lidstaat met een derogatie, aan de EU-Raad verslag uitbrengen over de vorderingen die door de onder een derogatie vallende lidstaten zijn geboekt bij de nakoming van de verplichtingen met het oog op de totstandbrenging van de economische en monetaire unie. De vijf landen die onderwerp zijn van dit verslag zijn beoordeeld in het kader van de reguliere tweejaarlijkse cyclus. De Europese Commissie heeft eveneens een verslag opgesteld. Beide verslagen worden tegelijkertijd bij de EU-Raad ingediend.
In dit verslag maakt de ECB gebruik van het kader dat werd toegepast in voorgaande convergentieverslagen. In het verslag wordt getoetst of, wat betreft de vijf betrokken landen, een hoge mate van duurzame economische convergentie is bereikt, of de nationale wetgeving verenigbaar is met de Verdragen en het Protocol betreffende de Statuten van het Europees Stelsel van Centrale Banken en van de ECB (hierna: ‘de Statuten van het ESCB’), en of is voldaan aan de wettelijke vereisten voor de desbetreffende nationale centrale bank (NCB) om integraal deel uit te kunnen maken van het Eurosysteem.
Voor een beoordeling van het proces van economische convergentie is de ECB in hoge mate afhankelijk van de kwaliteit en integriteit van de onderliggende statistieken. Politieke overwegingen of inmenging mogen geen rol spelen bij de samenstelling en rapportering van statistieken. De EU-lidstaten is verzocht hoge prioriteit te geven aan de kwaliteit en integriteit van hun statistieken, een effectief systeem van ‘checks and balances’ te hanteren wanneer deze statistieken worden samengesteld, en op het terrein van statistieken minimumnormen toe te passen. Deze normen zijn van het grootste belang bij het versterken van de onafhankelijkheid, integriteit en verantwoordingsaflegging van de nationale statistische instellingen en bij het bevorderen van het vertrouwen in de kwaliteit van statistieken betreffende de overheidsfinanciën (zie Hoofdstuk 6 van de integrale Engelstalige versie van dit convergentieverslag).
Sinds 4 november 2014[3] moet een EU-lidstaat waarvan de derogatie wordt ingetrokken uiterlijk op de datum dat deze de euro invoert, toetreden tot het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme (Single Supervisory Mechanism – SSM). Op dat moment beginnen alle rechten en verplichtingen in verband met het SSM voor dat land te gelden. Het is daarom van het allergrootste belang dat de noodzakelijke voorbereidingen worden getroffen. In het bijzonder is het bankenstelsel van een lidstaat die toetreedt tot het eurogebied en bijgevolg tot het SSM onderworpen aan een alomvattende beoordeling.[4]
Dit verslag is als volgt opgebouwd. In Hoofdstuk 2 wordt een beschrijving gegeven van het kader dat wordt gebruikt voor de toetsing van de economische en juridische convergentie. In Hoofdstuk 3 wordt een horizontaal overzicht gegeven van de kernaspecten van economische convergentie. Hoofdstuk 4 bevat de samenvattingen per land met de belangrijkste resultaten van het onderzoek naar de economische en juridische convergentie. In Hoofdstuk 5 van de integrale Engelstalige versie van dit convergentieverslag wordt gedetailleerder ingegaan op de mate van bereikte economische convergentie in elk van de vijf onderzochte EU-lidstaten. In Hoofdstuk 6 van de integrale Engelstalige versie van dit verslag wordt een overzicht gegeven van de convergentie-indicatoren en de voor de samenstelling daarvan gebruikte statistische methodologie. In Hoofdstuk 7 van de integrale Engelstalige versie van dit convergentieverslag, ten slotte, wordt gekeken naar de verenigbaarheid van de nationale wetgeving van de onderzochte lidstaten, met inbegrip van de statuten van hun NCB, met de artikelen 130 en 131 van het Verdrag.
2 Analysekader
2.1 Economische convergentie
Voor het onderzoek naar de mate van economische convergentie in de EU-lidstaten die de euro willen invoeren, maakt de ECB gebruik van een gemeenschappelijk analysekader. Dit kader, dat consequent is toegepast in alle convergentieverslagen van het Europees Monetair Instituut (EMI) en de ECB, is allereerst gebaseerd op de verdragsbepalingen en de toepassing daarvan door de ECB ten aanzien van de prijsontwikkelingen, de begrotingssaldi en de schuldquote, de wisselkoersen en de lange rente evenals andere factoren die van belang zijn voor economische integratie en convergentie. Ten tweede is het kader gebaseerd op een reeks aanvullende economische indicatoren die vanuit een terugkijkend of vooruitkijkend perspectief worden bezien en die als zinvol worden beschouwd voor een gedetailleerder onderzoek naar de duurzaamheid van de convergentie. Een aantal elementen van dit kader werden in de loop der tijd verbeterd. De beoordeling van de betreffende lidstaat op basis van al deze factoren levert ook belangrijke informatie die ertoe bijdraagt dat de integratie van dat land in het eurogebied zonder grote problemen verloopt. Kaders 1 tot en met 5 in deze paragraaf bevatten naast een overzicht van de wettelijke bepalingen een methodologische toelichting bij de toepassing van deze bepalingen door de ECB.
Om te zorgen voor continuïteit en gelijke behandeling, bouwt dit convergentieverslag voort op de uitgangspunten die in eerdere door de ECB gepubliceerde verslagen zijn uiteengezet. In het bijzonder worden door de ECB (en daarvóór door het EMI) een aantal leidraden gebruikt bij de toepassing van de convergentiecriteria. Ten eerste worden de afzonderlijke criteria strikt uitgelegd en toegepast. De achterliggende reden hiervan is dat de criteria als voornaamste doel hebben ervoor te zorgen dat slechts die lidstaten met economische omstandigheden die bevorderlijk zijn voor het handhaven van de prijsstabiliteit en de samenhang van het eurogebied, er deel van kunnen uitmaken. Ten tweede vormen de convergentiecriteria een samenhangend en geïntegreerd pakket en moeten ze allemaal worden nageleefd. In het Verdrag zijn de criteria gelijkwaardig en is er geen sprake van enige rangorde. Ten derde moet aan de convergentiecriteria worden voldaan op basis van feitelijke gegevens in plaats van voorspellingen. Ten vierde dient de toepassing van de convergentiecriteria gebaseerd te zijn op consistentie, transparantie en eenvoud. Bij het beoordelen van de vraag of aan de convergentiecriteria is voldaan, is bovendien duurzaamheid van essentieel belang, omdat de convergentie niet van korte duur maar blijvend moet zijn. Derhalve wordt bij het landenonderzoek uitgebreid ingegaan op de houdbaarheid van de convergentie.
In dit verband worden de economische ontwikkelingen in het betreffende land over in beginsel de afgelopen tien jaar achteraf bezien. Dit draagt bij aan een juistere bepaling van de mate waarin de huidige prestaties het gevolg zijn van werkelijke structurele aanpassingen, wat weer zou moeten leiden tot een betere beoordeling van de duurzaamheid van de economische convergentie.
Daarnaast wordt, voor zover van toepassing, gebruikgemaakt van een toekomstgerichte benadering. In dit verband is er met name aandacht aan besteed dat de houdbaarheid van gunstige economische ontwikkelingen in zeer hoge mate afhangt van geëigende en duurzame beleidsreacties op bestaande en toekomstige uitdagingen. Krachtig bestuur, solide instellingen en houdbare overheidsfinanciën zijn ook van essentieel belang voor het ondersteunen van prijsstabiliteit en van duurzame groei van de productie op (middel)lange termijn. In het algemeen wordt benadrukt dat het waarborgen van de duurzaamheid van de economische convergentie afhangt van het bereiken van een goede uitgangspositie, van het bestaan van solide instellingen, van schokbestendigheid en van het voeren van passend beleid na de invoering van de euro.
De afsluitingsdatum voor de statistieken in dit convergentieverslag was 17 juni 2026. De bij de toepassing van de convergentiecriteria gebruikte statistische gegevens werden ter beschikking gesteld door de Europese Commissie (zie Hoofdstuk 6 van de integrale Engelstalige versie van dit convergentieverslag en de statistische tabellen en grafieken), in samenwerking met de ECB waar het de gegevens over de wisselkoersen en de lange rente betreft. Conform afspraken met de Commissie loopt de referentieperiode voor zowel het criterium inzake prijsstabiliteit als het langerentecriterium van juni 2025 tot mei 2026. Voor de wisselkoersen is die referentieperiode 18 juni 2024 tot en met 17 juni 2026. De historische gegevens voor de begrotingsposities hebben betrekking op de periode tot 2025. Ook is rekening gehouden met prognoses van verschillende bronnen en andere informatie die relevant is voor een toekomstgerichte beschouwing van de duurzaamheid van de convergentie. In het verslag wordt eveneens rekening gehouden met de economische voorjaarsprognose 2026 en het waarschuwingsmechanismeverslag 2026 van de Europese Commissie, die op respectievelijk 21 mei 2026 en 25 november 2025 werden gepubliceerd. Het onderhavige verslag is op 19 juni 2026 goedgekeurd door de Algemene Raad van de ECB.
In dit convergentieverslag wordt ook rekening gehouden met de gevolgen van de oorlog in het Midden-Oosten voor de convergentiebeoordeling. De recente geopolitieke spanningen hebben tot meer onzekerheid geleid, onder meer door mogelijke effecten op de energiemarkten, handelsroutes en wereldwijde financiële voorwaarden. Terwijl de eerste gevolgen zichtbaar zijn geworden in de inflatieontwikkelingen en vertrouwensindicatoren, zal de economische impact van de oorlog afhangen van de intensiteit en de duur van de energieprijsschok en de omvang van de indirecte en tweederonde-effecten daarvan. Landen die voor hun energievoorziening sterker afhankelijk zijn van en nauwere handelsbetrekkingen hebben met het Midden-Oosten, worden mogelijk zwaarder getroffen dan andere. De impact zal ook afhangen van het macro-economische klimaat en de beleidsreacties in de afzonderlijke landen. Het toekomstgerichte deel van de convergentiebeoordeling is bijgevolg met meer onzekerheid omgeven dan gebruikelijk.
Wat de prijsontwikkelingen betreft, worden de wettelijke bepalingen en de toepassing ervan door de ECB uiteengezet in Kader 1.
Kader 1
Prijsontwikkelingen
1. Verdragsbepalingen
Artikel 140, lid 1, eerste streepje, van het Verdrag bepaalt dat in het convergentieverslag moet worden nagegaan of er een hoge mate van duurzame convergentie is bereikt, aan de hand van de mate waarin elke lidstaat aan het volgende criterium voldoet:
‘het bereiken van een hoge mate van prijsstabiliteit; dit blijkt uit een inflatiepercentage dat dicht ligt bij dat van ten hoogste de drie lidstaten die op het gebied van de prijsstabiliteit het best presteren.’
Artikel 1 van het Protocol (Nr. 13) betreffende de convergentiecriteria bepaalt het volgende:
‘Het in artikel 140, lid 1, eerste streepje, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie bedoelde criterium inzake prijsstabiliteit betekent dat een lidstaat een houdbare prijsontwikkeling heeft en een gemiddeld inflatiepercentage dat, gemeten over een periode van één jaar vóór het onderzoek, niet meer dan 1½ procentpunt hoger ligt dan dat van ten hoogste de drie lidstaten die op het gebied van prijsstabiliteit het best presteren. De inflatie wordt gemeten aan de hand van het indexcijfer van de consumptieprijzen op een vergelijkbare basis, rekening houdend met verschillen in de nationale definities.’
2. Toepassing van de Verdragsbepalingen
In het kader van dit verslag past de ECB de verdragsbepalingen toe zoals hieronder beschreven.
Ten eerste is, wat betreft ‘een gemiddeld inflatiepercentage, gemeten over een periode van één jaar voor het onderzoek’ de inflatie berekend op basis van de mutatie in het twaalfmaands gemiddelde van de geharmoniseerde consumptieprijsindex (HICP) tijdens de referentieperiode van juni 2025 tot en met mei 2026 ten opzichte van het voorgaande twaalfmaands gemiddelde. De inflatie is gemeten op basis van de HICP, die is ontwikkeld voor het beoordelen van de convergentie op het vlak van prijsstabiliteit op een onderling vergelijkbare basis (zie Paragraaf 6.2 van de integrale Engelstalige versie van dit convergentieverslag). Ten tweede is aan het begrip ‘ten hoogste de drie lidstaten die op het gebied van prijsstabiliteit het best presteren’, zoals toegepast bij de definitie van de referentiewaarde, inhoud gegeven door gebruik te maken van het ongewogen rekenkundige gemiddelde van de inflatiepercentages van de drie lidstaten met de laagste gemiddelde inflatiepercentages (exclusief uitschieters).
Daarbij moet worden opgemerkt dat reeds in eerdere convergentieverslagen van de ECB en van het EMI gerefereerd is aan het begrip ‘uitschieter’. Overeenkomstig die verslagen wordt een lidstaat als een uitschieter beschouwd als aan twee voorwaarden wordt voldaan: ten eerste, de twaalfmaands gemiddelde inflatie van een land is aanzienlijk lager dan het gemiddelde in het eurogebied; ten tweede, de prijsontwikkelingen van een land zijn sterk beïnvloed door uitzonderlijke factoren. Uitschieters worden niet op een mechanische manier vastgesteld. Het begrip ‘uitschieter’ werd ingevoerd om op passende wijze om te gaan met mogelijke aanzienlijke vertekeningen van de inflatieontwikkelingen van afzonderlijke landen die de representativiteit van de inflatiecijfers in die landen als een benchmark voor convergentie verminderen. De benadering van de ECB om uitschieters vast te stellen in dit verslag stemt overeen met de benadering die in eerdere convergentieverslagen van de ECB werd gevolgd.
Op basis hiervan zijn, voor dit verslag, de drie best presterende lidstaten op het gebied van prijsstabiliteit Cyprus (0,9%), Frankrijk (1,2%) en Denemarken (1,6%). Wanneer 1½ procentpunt aan het gemiddelde van deze drie percentages wordt toegevoegd, bedraagt de referentiewaarde voor het criterium inzake prijsstabiliteit 2,7%. Geen van de drie best presterende lidstaten werd aangemerkt als een mogelijke uitschieter die uit de berekening van de referentiewaarde voor prijsstabiliteit moet worden geweerd.
De gemiddelde HICP-inflatie gedurende de twaalfmaands referentieperiode van juni 2025 tot en met mei 2026 wordt bezien in het licht van de economische prestaties van het desbetreffende land op het terrein van prijsstabiliteit gedurende de afgelopen tien jaar. Dit maakt een gedetailleerdere toetsing van de duurzaamheid van de prijsontwikkeling in het onderzochte land mogelijk. Er wordt aandacht besteed aan de koers van het monetair beleid, en in het bijzonder aan de vraag of de monetaire autoriteiten zich primair hebben gericht op het bereiken en handhaven van prijsstabiliteit, evenals aan de bijdrage van andere economische beleidsterreinen aan deze doelstelling. Bovendien worden de gevolgen van de macro-economische omgevingsfactoren voor het bereiken van prijsstabiliteit in aanmerking genomen. De prijsontwikkeling wordt onderzocht in het licht van vraag- en aanbodverhoudingen, waarbij vooral aandacht wordt geschonken aan factoren zoals de arbeidskosten per eenheid product en de invoerprijzen. Ten slotte worden trends in andere relevante prijsindices in aanmerking genomen. Vanuit een toekomstgericht perspectief wordt met behulp van prognoses van belangrijke internationale instellingen en marktdeelnemers inzicht verschaft in de verwachte inflatieontwikkelingen in de komende jaren. Bovendien worden institutionele en structurele aspecten besproken die van belang zijn voor het handhaven van een klimaat dat na de overgang op de euro bevorderlijk is voor de prijsstabiliteit.
Wat de begrotingsontwikkelingen betreft, worden de wettelijke bepalingen en de toepassing ervan door de ECB, evenals procedurele kwesties, in het kort weergegeven in Kader 2.
Kader 2
Begrotingsontwikkelingen
1. Verdragsbepalingen en overige wettelijke bepalingen
Artikel 140, lid 1, tweede streepje, van het Verdrag bepaalt dat in het convergentieverslag moet worden nagegaan of er een hoge mate van duurzame convergentie is bereikt, aan de hand van de mate waarin elke lidstaat aan het volgende criterium voldoet:
‘het houdbare karakter van de situatie van de overheidsfinanciën; dit blijkt uit een begrotingssituatie van de overheid zonder een buitensporig tekort als bedoeld in artikel 126, lid 6’.
Artikel 2 van het Protocol (Nr. 13) betreffende de convergentiecriteria bepaalt het volgende:
‘Het in artikel 140, lid 1, tweede streepje, van dat Verdrag bedoelde criterium inzake de begrotingssituatie van de overheid, houdt in dat ten aanzien van de lidstaat op het tijdstip van het onderzoek geen Raadsbesluit krachtens artikel 126, lid 6, van dat Verdrag is genomen, waarin wordt vastgesteld dat er in de betrokken lidstaat een buitensporig tekort bestaat’.
In artikel 126 wordt de procedure bij buitensporige tekorten uiteengezet. Conform artikel 126, lid 2 en lid 3, moet de Europese Commissie een verslag opstellen indien een lidstaat niet voldoet aan de vereisten voor begrotingsdiscipline, met name als:
- de verhouding tussen het voorziene of feitelijke overheidstekort en het bruto binnenlands product (bbp) een referentiewaarde (in Protocol (Nr. 12) betreffende de procedure bij buitensporige tekorten op 3% bbp gesteld) overschrijdt, tenzij:
- hetzij de verhouding in aanzienlijke mate en voortdurend is afgenomen en een niveau heeft bereikt dat de referentiewaarde benadert;
- hetzij de overschrijding van de referentiewaarde slechts van uitzonderlijke en tijdelijke aard is en de verhouding dicht bij de referentiewaarde blijft;
- de verhouding tussen de overheidsschuld en het bruto binnenlands product (bbp) een bepaalde referentiewaarde (in Protocol (Nr. 12) betreffende de procedure bij buitensporige tekorten op 60% bbp gesteld) overschrijdt, tenzij de verhouding in voldoende mate afneemt en de referentiewaarde in een bevredigend tempo benadert.
In het verslag van de Commissie dient tevens rekening te worden gehouden met de vraag of het overheidstekort groter is dan de investeringsuitgaven van de overheid en met alle andere relevante factoren, inclusief de economische en budgettaire situatie van de lidstaat op middellange termijn. Voorts kan de Commissie een verslag opstellen indien ze – ook al is aan de criteria voldaan – van mening is dat er in een lidstaat een gevaar bestaat voor een buitensporig tekort. Het Economisch en Financieel Comité brengt advies uit over het verslag van de Commissie. Uiteindelijk besluit de Raad van de EU, conform artikel 126, lid 6, op aanbeveling van de Commissie en rekening houdend met de opmerkingen die de betrokken lidstaat eventueel wenst te maken, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, exclusief die van de betrokken lidstaat, en na een algehele evaluatie te hebben gemaakt, of er al dan niet een buitensporig tekort bestaat in een lidstaat.
De verdragsbepalingen krachtens artikel 126 worden nader uitgelegd in de Verordening (EG) van de Raad Nr. 1467/97[5] zoals gewijzigd door de Verordeningen (EU) Nr. 1177/2011[6] en Nr. 2024/1264[7], waarin onder meer:
- wordt bevestigd dat het schuldcriterium en het tekortcriterium van gelijk belang zijn door het eerste operationeel te maken;
- de voorwaarden worden gespecificeerd waaronder een overheidsschuld/bbp-ratio die de referentiewaarde overschrijdt, wordt geacht in voldoende mate af te nemen en de referentiewaarde in een bevredigend tempo te benaderen overeenkomstig artikel 126, lid 2, onder b), van het Verdrag. Het hervormde EU-begrotingskader wijzigt de voorwaarden waaronder een overheidsschuld/bbp-ratio die de referentiewaarde overschrijdt, wordt geacht in voldoende mate af te nemen en de referentiewaarde in een bevredigend tempo te benaderen overeenkomstig artikel 126, lid 2, onder b). Met name bepaalt artikel 2, lid 2, van de Verordening dat het schuldcriterium wordt geacht te zijn vervuld indien de desbetreffende lidstaat zich houdt aan zijn door de Raad vastgestelde netto-uitgaventraject.[8] De Commissie zal, overeenkomstig artikel 126, lid 3, van het Verdrag, een verslag opstellen wanneer de overheidsschuld/bbp-ratio de referentiewaarde overschrijdt, de begrotingspositie niet nabij evenwicht of in overschot is en de vastgestelde afwijkingen in de controlerekening van de lidstaat hoger liggen dan ofwel 0,3 procentpunt bbp per jaar ofwel 0,6 procentpunt bbp cumulatief;
- de relevante factoren worden gespecificeerd waarmee de Commissie rekening houdt bij het opstellen van een verslag conform artikel 126, lid 3, van het Verdrag. Het belangrijkste is dat een reeks factoren wordt vermeld die van belang worden geacht voor het beoordelen van de middellangetermijnontwikkelingen in de economische situatie, de begrotingssituatie en de schuldpositie van de overheid (zie artikel 2, lid 3, van de Verordening).
2. Toepassing van de verdragsbepalingen
Ten behoeve van het onderzoek naar de convergentie geeft de ECB haar visie op de begrotingsontwikkelingen. Met betrekking tot de houdbaarheid onderzoekt de ECB de kernindicatoren voor de begrotingsontwikkelingen van 2016 tot 2025, alsook de vooruitzichten en de uitdagingen voor de financiën van de algemene overheid; ze richt zich vooral op het verband tussen de ontwikkelingen in de tekort- en de schuldpositie. In verband met de gevolgen van de COVID-19-pandemie en de Russische oorlog tegen Oekraïne voor de financiën van de algemene overheid verwijst de ECB naar de algemene ontsnappingsclausule in het stabiliteits- en groeipact, die werd geactiveerd van 20 maart 2020 tot 31 december 2023, met name vóór de hervorming van het stabiliteits- en groeipact in april 2024, zoals vastgelegd in artikel 5, lid 1, en artikel 9, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1466/97[9] voor het preventieve deel en in artikel 3, lid 5, van Verordening (EG) nr. 1467/97 voor het corrigerende deel. Met betrekking tot de impact van het verschaffen van extra flexibiliteit voor hogere defensie-uitgaven verwijst de ECB naar de nationale ontsnappingsclausule van het stabiliteits- en groeipact, die werd ingevoerd bij de hervorming van april 2024. Artikel 26 van Verordening (EU) 2024/1263 bepaalt het volgende: ‘Op verzoek van een lidstaat en op aanbeveling van de Commissie die is gebaseerd op haar analyse kan de Raad binnen vier weken na de aanbeveling van de Commissie een aanbeveling aannemen op grond waarvan een lidstaat kan afwijken van zijn door de Raad vastgestelde netto-uitgaventraject indien uitzonderlijke omstandigheden waarover de lidstaat geen controle heeft, een grote impact hebben op de overheidsfinanciën van de betrokken lidstaat, mits die afwijking de houdbaarheid van de begroting op middellange termijn niet in gevaar brengt’. De ECB verschaft verder een analyse van de doeltreffendheid van de nationale begrotingskaders, zoals bedoeld in artikel 2, lid 3, onder d, van Verordening (EG) nr. 1467/97 en in Richtlijn 2011/85/EU[10]. Met betrekking tot artikel 126 van het Verdrag vervult de ECB, in tegenstelling tot de Commissie, geen formele rol in de procedure bij buitensporige tekorten. Het verslag van de ECB vermeldt daarom enkel of het land al dan niet onderworpen is aan een procedure bij buitensporige tekorten.
Met betrekking tot de verdragsbepaling die vereist dat een schuldquote boven 60% bbp ‘in voldoende mate afneemt en de referentiewaarde in een bevredigend tempo benadert’, onderzoekt de ECB de vroegere en de toekomstige tendensen in de schuldquote. Voor lidstaten waarvan de schuldquote de referentiewaarde overstijgt, verstrekt de ECB de laatste beoordeling door de Europese Commissie die is vastgelegd in artikel 2, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1467/97.
Het onderzoek van de begrotingsontwikkelingen is gebaseerd op vergelijkbare gegevens die op grond van de nationale rekeningen zijn samengesteld, overeenkomstig het Europees Systeem van Rekeningen 2010 (ESR 2010) (zie Hoofdstuk 6). De meeste cijfers in dit verslag werden in april en mei 2026 door de Europese Commissie ter beschikking gesteld en omvatten de financiële situatie van de overheid van 2016 tot 2025, evenals de prognoses van de Commissie voor 2026-2027.
Met betrekking tot de houdbaarheid van de overheidsfinanciën wordt de uitkomst in het referentiejaar 2025 beoordeeld in het licht van de prestaties van het onderzochte land gedurende de afgelopen tien jaar. Ten eerste wordt de ontwikkeling van de tekortquote onderzocht. Het is goed te bedenken dat de mutatie in de tekortquote op jaarbasis van een land gewoonlijk de resultante is van een verscheidenheid aan onderliggende factoren. Deze factoren kunnen worden onderverdeeld in enerzijds ‘conjuncturele effecten’, die de reactie van tekorten op veranderingen in de conjunctuurcyclus weerspiegelen, en anderzijds ‘niet-conjuncturele effecten’, die vaak worden beschouwd als de weerslag van structurele of permanente aanpassingen in het begrotingsbeleid. Dergelijke niet-conjuncturele effecten, zoals ze in dit verslag zijn gekwantificeerd, mogen echter niet zonder meer worden samengevat als de totale weerspiegeling van een structurele verandering in de begrotingssituatie, omdat ze tijdelijke effecten op het begrotingssaldo omvatten die voortvloeien uit de invloed van zowel beleidsmaatregelen als bijzondere factoren.
Als verdere stap wordt de ontwikkeling van de overheidsschuldquote in deze periode onderzocht, alsook de daaraan ten grondslag liggende factoren. Deze factoren zijn het verschil tussen de nominale bbp-groei en de rente, het primaire saldo en de tekort-schuldaanpassing. Een dergelijke benadering kan nadere informatie opleveren over de mate waarin de macro-economische omgevingsfactoren, met name de combinatie van groei en rente, van invloed zijn geweest op de schulddynamiek. Daarnaast wordt de structuur van de overheidsschuld onder de loep genomen, met bijzondere aandacht voor de schuldcomponenten die een korte looptijd hebben en in vreemde valuta luiden, alsook de ontwikkeling daarvan. Door vervolgens een verband te leggen met het huidige niveau van de schuldquote kan de gevoeligheid van de begrotingssaldi voor wisselkoers- en rentemutaties in kaart worden gebracht.
De inwerkingtreding van het hervormde stabiliteits- en groeipact in 2024 ging gepaard met nieuwe regels voor het starten van een op schulden gebaseerde procedure bij buitensporige tekorten (PBT). Terwijl de regels inzake een op tekorten gebaseerde PBT grotendeels onveranderd bleven, werden de regels voor een op schulden gebaseerde PBT gewijzigd zoals beschreven in Kader 2. Er werden vóór 2026 echter geen op schulden gebaseerde PBT's gestart, aangezien de door de Raad van de EU vastgestelde netto-uitvoertrajecten pas betrekking hebben op de begrotingsstrategieën vanaf 2025.
De algemene ontsnappingsclausule van het stabiliteits- en groeipact werd geactiveerd voor de periode 2020-2023, en in april 2025 leidde de Raad van de EU een gecoördineerd verzoek in om de nationale ontsnappingsclausule te activeren. Door de activering van de algemene ontsnappingsclausule konden de lidstaten afwijken van de begrotingsvereisten die normaal gesproken van toepassing zouden zijn geweest. Dat maakte het voor hen gemakkelijker om de nodige maatregelen voor een beleidscoördinatie te nemen in het licht van de pandemie en de oorlog van Rusland tegen Oekraïne, binnen het kader van het stabiliteits- en groeipact. Op 19 maart 2025 stelde de Europese Commissie vervolgens een gecoördineerde activering van de nationale ontsnappingsclausule voor, waardoor landen konden afwijken van hun bekrachtigde netto-uitgaventraject om extra begrotingsruimte vrij te maken voor hogere defensie-uitgaven. De Commissie verklaarde met name dat ‘de agressieve oorlog van Rusland tegen Oekraïne en de bedreiging daarvan voor de Europese veiligheid uitzonderlijke omstandigheden vormen die buiten de controle van de lidstaten vallen en die aanzienlijke gevolgen hebben voor de overheidsfinanciën van de lidstaten door de daarmee samenhangende opgelopen en/of geplande stijging van de defensie-uitgaven’.[11] Op 30 april 2025 publiceerde de Raad een verklaring over een gecoördineerd verzoek tot activering van de nationale ontsnappingsclausule.[12] Op de afsluitingsdatum van dit verslag had de Raad de clausule geactiveerd voor 17 lidstaten, waaronder drie van de onderzochte landen (Tsjechië, Hongarije en Polen). De clausule bestrijkt een periode van vier jaar en houdt een flexibiliteit van maximaal 1,5% bbp in.
In een toekomstgerichte benadering worden de recente voorspellingen door de Europese Commissie voor 2026-27 en de beoordeling van de uitdagingen op lange termijn ten aanzien van de houdbaarheid van de schuld beschouwd. Dit omvat in het bijzonder de vooruitzichten voor de begrotingssaldi en de schuldquotes op basis van het huidige begrotingsbeleid. Bovendien worden de uitdagingen op lange termijn ten aanzien van de houdbaarheid van de begrotingssituatie en brede terreinen voor consolidatie benadrukt, met name de risico’s die in verband met demografische ontwikkelingen voortvloeien uit de overheidspensioenstelsels zonder kapitaaldekking, en de risico’s verbonden aan de voorwaardelijke verplichtingen die de overheid is aangegaan. Volgens de nieuwe regels zijn de begrotingsplannen op middellange termijn van de landen opgenomen in hun nationale fiscaal-structurele plannen, die ze sinds het najaar van 2024 publiceren. Die plannen bevatten een netto-uitgaventraject voor een periode van ten minste vier jaar en schetsen de begrotingsstrategieën die de overheid vanaf 2025 hanteert.
Met betrekking tot de wisselkoersontwikkelingen worden de wettelijke bepalingen en de toepassing ervan door de ECB uiteengezet in Kader 3.
Kader 3
Wisselkoersontwikkelingen
1. Verdragsbepalingen
Artikel 140, lid 1, derde streepje, van het Verdrag bepaalt dat in het convergentieverslag moet worden nagegaan of er een hoge mate van duurzame convergentie is bereikt, aan de hand van de mate waarin elke lidstaat aan het volgende criterium voldoet:
‘de inachtneming van de normale fluctuatiemarges van het wisselkoersmechanisme van het Europees Monetair Stelsel, gedurende ten minste twee jaar, zonder devaluatie ten opzichte van de euro’.
Artikel 3 van het Protocol (Nr. 13) betreffende de convergentiecriteria bepaalt het volgende:
‘Het in artikel 140, lid 1, derde streepje, van dat Verdrag bedoelde criterium inzake deelneming aan het wisselkoersmechanisme van het Europees Monetair Stelsel betekent dat een lidstaat ten minste gedurende de laatste twee jaren vóór het onderzoek, zonder grote spanningen de normale fluctuatiemarges van het wisselkoersmechanisme van het Europees Monetair Stelsel heeft kunnen aanhouden. Meer in het bijzonder mag de betrokken lidstaat tijdens die periode de bilaterale spilkoers van zijn valuta tegenover die van de euro niet op eigen initiatief hebben gedevalueerd’.
2. Toepassing van de verdragsbepalingen
Wat de wisselkoersstabiliteit betreft, onderzoekt de ECB of het land gedurende een periode van ten minste twee jaar vóór het convergentieonderzoek zonder grote spanningen heeft deelgenomen aan het ERM II (dat vanaf januari 1999 in de plaats kwam van het ERM), en met name of de valuta van dat land in die periode is gedevalueerd ten opzichte van de euro. In het geval van kortere perioden van deelname, worden wisselkoersontwikkelingen beschreven over een tweejaars referentieperiode.
Bij de toetsing van de wisselkoersstabiliteit ten opzichte van de euro wordt de nadruk gelegd op de vraag of de wisselkoers zich dicht bij de spilkoers van het ERM II heeft bevonden, terwijl tevens rekening wordt gehouden met factoren die kunnen hebben geleid tot een appreciatie, wat overeenstemt met de in het verleden gevolgde benadering. In dit opzicht doet de breedte van de fluctuatiemarge binnen het ERM II geen afbreuk aan de toetsing van het criterium van wisselkoersstabiliteit.
Daarnaast wordt op het al of niet uitblijven van grote spanningen in het algemeen ingegaan door: 1) onderzoek te doen naar de mate waarin de wisselkoersen afwijken van de spilkoersen van het ERM II ten opzichte van de euro, 2) gebruik te maken van indicatoren zoals de wisselkoersvolatiliteit ten opzichte van de euro en de tendens daarvan, evenals de korte-renteverschillen ten opzichte van het eurogebied en de ontwikkeling daarvan, 3) de rol van valuta-interventies in beschouwing te nemen, en 4) rekening te houden met de rol van internationale programma's voor financiële steun bij de stabilisatie van de munteenheid.
De referentieperiode in dit verslag loopt van 18 juni 2024 tot en met 17 juni 2026. De genoemde bilaterale wisselkoersen zijn officiële referentiekoersen van de ECB (zie hoofdstuk 6 van de integrale Engelstalige versie van dit convergentieverslag).
Naast deelname aan het ERM II en ontwikkelingen in de nominale wisselkoers ten opzichte van de euro tijdens de referentieperiode wordt ook kort ingegaan op gegevens die relevant zijn voor de houdbaarheid van de huidige wisselkoers. Deze gegevens worden afgeleid uit het beloop van de reëel-effectieve wisselkoersen en van de lopende, kapitaal- en financiële rekeningen van de betalingsbalans. Tevens wordt de ontwikkeling van de bruto buitenlandse schuld en de netto internationale investeringspositie beoordeeld. In de paragraaf betreffende de wisselkoersontwikkelingen wordt bovendien gekeken naar maatstaven voor de mate van integratie van een land met het eurogebied. Dit wordt beoordeeld in termen van zowel integratie van de buitenlandse handel (in- en uitvoer) als financiële integratie. Ten slotte geeft de paragraaf betreffende de wisselkoersontwikkelingen, waar van toepassing, aan of het onderzochte land gedurende de referentieperiode van twee jaar heeft geprofiteerd van liquiditeitssteun van de centrale bank of betalingsbalanssteun. Zowel daadwerkelijke als uit voorzorg verstrekte steun wordt meegenomen.
Wat de langerenteontwikkelingen betreft worden de wettelijke bepalingen en de toepassing ervan door de ECB in het kort weergegeven in Kader 4.
Kader 4
Langerenteontwikkelingen
1. Verdragsbepalingen
Artikel 140, lid 1, vierde streepje, van het Verdrag bepaalt dat in het convergentieverslag moet worden nagegaan of er een hoge mate van duurzame convergentie is bereikt, aan de hand van de mate waarin elke lidstaat aan het volgende criterium voldoet:
‘de duurzaamheid van de door de lidstaat die onder een derogatie valt, bereikte convergentie en van zijn deelneming aan het wisselkoersmechanisme van het Europees Monetair Stelsel, hetgeen tot uitdrukking komt in het niveau van de rentevoet voor de lange termijn’.
Artikel 4 van het Protocol (Nr. 13) betreffende de convergentiecriteria bepaalt het volgende:
‘Het in artikel 140, lid 1, vierde streepje, van dat Verdrag genoemde criterium inzake de convergentie van het niveau van de rentevoet betekent dat een lidstaat, gemeten over een periode van één jaar vóór het onderzoek, een gemiddelde nominale langetermijnrente heeft gehad die niet meer dan 2 procentpunten hoger ligt dan die van ten hoogste de drie lidstaten die op het gebied van prijsstabiliteit het best presteren. De rentevoet wordt gemeten op basis van langlopende staatsobligaties of vergelijkbare effecten, rekening houdend met verschillen in de nationale definities’.
2. Toepassing van de verdragsbepalingen
In het kader van dit verslag past de ECB de verdragsbepalingen toe zoals hieronder beschreven.
Ten eerste is, met betrekking tot ‘een gemiddelde nominale langetermijnrente’, ‘gemeten over een periode van één jaar vóór het onderzoek’, de lange rente berekend als het rekenkundige gemiddelde over de laatste twaalf maanden waarvoor HICP-gegevens beschikbaar waren. Voor dit verslag loopt de referentieperiode van juni 2025 tot en met mei 2026, in lijn met de referentieperiode voor het criterium inzake prijsstabiliteit.
Ten tweede is het begrip ‘ten hoogste de drie lidstaten die op het gebied van prijsstabiliteit het best presteren’, dat wordt gebruikt voor de definitie van de referentiewaarde, toegepast op basis van het ongewogen rekenkundige gemiddelde van de lange rente in dezelfde drie lidstaten die als basis dienden voor de berekening van de referentiewaarde voor het criterium inzake prijsstabiliteit (zie Kader 1). Gedurende de in dit verslag beschouwde referentieperiode was de lange rente van de drie lidstaten met de laagste inflatie voor de berekening van de referentiewaarde voor het criterium betreffende de prijsstabiliteit 2,6% (Denemarken), 3,1% (Cyprus) en 3,5% (Frankrijk). Dientengevolge is het gemiddelde percentage 3,1%, zodat, na bijtelling van twee procentpunt, de referentiewaarde op 5,1% uitkomt.[13]
Zoals hierboven vermeld, wordt in het Verdrag uitdrukkelijk verwezen naar de ‘duurzaamheid (…) van de convergentie’, tot uitdrukking komend in het niveau van de lange rente. De ontwikkelingen worden derhalve gedurende de verslagperiode van juni 2024 tot en met mei 2026 geplaatst in het kader van het langerentebeloop in de afgelopen tien jaar (of de periode waarover gegevens beschikbaar zijn) en van de belangrijkste factoren die ten grondslag hebben gelegen aan het ecart ten opzichte van de gemiddelde lange rente in het eurogebied. Gedurende de verslagperiode weerspiegelde de gemiddelde lange rente in het eurogebied in theorie mogelijk deels een hoge landspecifieke risicopremie in diverse landen van het eurogebied. Het rendement op langlopende overheidsobligaties met een AAA-rating in het eurogebied (d.w.z. het langetermijnrendement van de AAA-rendementscurve van het eurogebied, waaronder de landen van het eurogebied met een AAA-rating vallen) wordt daarom ook voor vergelijkingsdoeleinden gebruikt. Als achtergrond bij deze analyse biedt dit verslag tevens informatie over de omvang en ontwikkeling van de financiële markt. Dit is gebaseerd op drie verschillende indicatoren (het uitstaande bedrag aan door financiële en niet-financiële ondernemingen uitgegeven schuldbewijzen, aandelenmarktkapitalisatie en kredietverlening door monetaire financiële instellingen aan de binnenlandse niet-financiële private sector), die, samengenomen, een maatstaf vormen voor de omvang van de financiële markt.
Artikel 140, lid 1, van het Verdrag, ten slotte, vereist dat in dit verslag rekening wordt gehouden met diverse andere relevante factoren (zie Kader 5). Wat dit betreft is in december 2011, overeenkomstig artikel 121, lid 6, van het Verdrag, een versterkt kader voor economisch bestuur van kracht geworden, dat tot doel heeft nauwere coördinatie van het economisch beleid en de duurzame convergentie van de economische prestaties van EU-lidstaten te waarborgen. Kader 5 hieronder herinnert in het kort aan deze wetgevingsbepalingen en aan de manier waarop op de hierboven genoemde additionele factoren wordt ingegaan bij de door de ECB uitgevoerde beoordeling van de convergentie.
Kader 5
Overige relevante factoren
1. Verdrags- en overige wettelijke bepalingen
Artikel 140, lid 1, van het Verdrag vereist: ‘In de verslagen van de Commissie en de Europese Centrale Bank wordt ook rekening gehouden met de resultaten van de integratie van de markten, de situatie en de ontwikkeling van de lopende rekeningen van de betalingsbalansen, en een onderzoek naar de ontwikkeling van de loonkosten per eenheid product en andere prijsindicatoren’.
Wat dit betreft houdt de ECB rekening met het wetgevingspakket voor het economisch bestuur in de EU, dat op 13 december 2011 van kracht is geworden. Voortbouwend op de verdragsbepalingen krachtens artikel 121, lid 6, hebben het Europees Parlement en de EU-Raad hun goedkeuring gehecht aan gedetailleerde regels voor de procedure voor multilateraal toezicht zoals bedoeld in artikel 121, leden 3 en 4, van het Verdrag. Deze regels werden aangenomen ‘teneinde een nauwere coördinatie van het economisch beleid en een aanhoudende convergentie van de economische prestaties van de lidstaten te verzekeren’ (artikel 121, lid 3), gelet op het feit dat er ‘de nodige lering [moet] worden getrokken uit het eerste decennium van de economische en monetaire unie, en in het bijzonder voor een beter economisch bestuur in de Unie op basis van een sterkere nationale betrokkenheid’.[14]. Het wetgevingspakket omvat een versterkt toezichtskader (de procedure voor macro-economische onevenwichtigheden) dat is gericht op het voorkomen van buitensporige macro-economische en macrofinanciële onevenwichtigheden door afwijkende EU-lidstaten te helpen corrigerende plannen op te stellen voordat de afwijkingen een blijvend karakter krijgen.
2. Toepassing van de verdragsbepalingen
In overeenstemming met de eerdere praktijk worden de additionele factoren zoals bedoeld in artikel 140, lid 1, van het Verdrag getoetst in hoofdstuk 5 van de integrale Engelstalige versie van dit convergentieverslag onder de kopjes van de individuele criteria die worden beschreven in de kaders 1 tot en met 4. Volledigheidshalve worden in hoofdstuk 3 van de integrale Engelstalige versie van dit convergentieverslag de scorebordindicatoren gepresenteerd voor de in dit verslag onderzochte landen (ook met betrekking tot de waarschuwingsdrempelwaarden), om zo te zorgen voor de verstrekking van alle beschikbare informatie die van belang is voor de opsporing van macro-economische en macrofinanciële onevenwichtigheden die de verwezenlijking van een hoge mate van duurzame convergentie zoals bedoeld in artikel 140, lid 1, van het Verdrag, kunnen belemmeren. Met name EU-lidstaten met een derogatie die onderworpen zijn aan een procedure bij buitensporige onevenwichtigheden kunnen nauwelijks worden geacht een hoge mate van duurzame convergentie (zoals bedoeld in artikel 140, lid 1, van het Verdrag) te hebben bereikt.
2.2 Verenigbaarheid van nationale wetgeving met de Verdragen
2.2.1 Inleiding
Artikel 140, lid 1, van het Verdrag verlangt dat de ECB (en de Europese Commissie) ten minste eens in de twee jaar of op verzoek van een lidstaat met een derogatie verslag uitbrengen aan de Raad over de vooruitgang die door de lidstaten met een derogatie is geboekt bij de nakoming van hun verplichtingen met het oog op de totstandbrenging van de Economische en Monetaire Unie. Deze verslagen moeten een onderzoek bevatten naar de verenigbaarheid van de nationale wetgeving, met inbegrip van de statuten van de NCB, van elke lidstaat met een derogatie met de artikelen 130 en 131 van het Verdrag en de relevante artikelen van de ESCB-statuten. Deze verdragsverplichting van lidstaat met een derogatie wordt ook wel ‘juridische convergentie’ genoemd.
Bij de beoordeling van de juridische convergentie hoeft de ECB zich niet tot een formele beoordeling te beperken; zij kan ook nagaan of de uitvoering van de relevante bepalingen in overeenstemming is met de geest van de Verdragen en de ESCB-statuten. De ECB is bijzonder bezorgd over de druk op de besluitvormende organen van de NCB’s van de lidstaten, hetgeen niet in overeenstemming zou zijn met de geest van het Verdrag met betrekking tot de onafhankelijkheid van de centrale bank.
De ECB ziet tevens de noodzaak van een soepel en ononderbroken functioneren van de besluitvormende organen van de NCB’s. Dienaangaande zijn de betrokken autoriteiten van een lidstaat met name verplicht de noodzakelijke maatregelen te nemen om de tijdige benoeming van een opvolger te verzekeren indien de positie van een lid van een besluitvormend orgaan van een NCB vacant wordt.[15]
De ECB zal alle ontwikkelingen nauwlettend volgen alvorens tot een positieve definitieve beoordeling te komen waarin wordt geconcludeerd dat de nationale wetgeving van een lidstaat verenigbaar is met het Verdragen de ESCB-statuten.
2.2.1.1 Lidstaten met een derogatie en juridische convergentie
De Tsjechische Republiek, Hongarije, Polen, Roemenië en Zweden, waarvan de nationale wetgeving onderwerp is van dit verslag, hebben de status van lidstaten met een derogatie, d.w.z. dat deze landen de euro nog niet hebben aangenomen. Zweden verkreeg de status van een lidstaat met een derogatie bij een beschikking van de Raad van de EU van mei 1998.[16] Wat de Tsjechische Republiek, Hongarije, Polen en Roemenië betreft, bepalen de artikelen 4[17]en 5[18] van de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden dat elk van deze lidstaten vanaf de datum van toetreding deelneemt aan de Economische en Monetaire Unie als een lidstaat met een derogatie in de zin van artikel 139 van het Verdrag.
Dit verslag heeft geen betrekking op Denemarken, een lidstaat met een bijzondere status die de euro nog niet heeft aangenomen. Het aan de Verdragen gehechte Protocol nr. 16 betreffende enkele bepalingen inzake Denemarken bepaalt dat, gezien de kennisgeving van 3 november 1993 van de Deense regering aan de Raad, voor Denemarken een ontheffing geldt en dat de procedure voor de intrekking van de ontheffing slechts op verzoek van Denemarken wordt ingeleid. Aangezien artikel 130 van het Verdrag op Denemarken van toepassing is, moet Danmarks Nationalbank aan de eisen van onafhankelijkheid van de centrale bank voldoen. In het Convergentieverslag van het EMI van 1998 werd geconcludeerd dat aan deze eis was voldaan. Als gevolg van de bijzondere status van Denemarken is de Deense convergentie sinds 1998 niet meer beoordeeld. Totdat Denemarken de Raad in kennis stelt van het voornemen om de euro aan te nemen, is de juridische integratie van Danmarks Nationalbank in het Eurosystem noch aanpassing van Deense wetgeving noodzakelijk.
De beoordeling van juridische convergentie beoogt het voor de Raad gemakkelijker te maken te besluiten welke lidstaten ‘hun verplichtingen met het oog op de totstandbrenging van de Economische en Monetaire Unie’ (artikel 140, lid 1, van het Verdrag) nakomen. Deze voorwaarden betreffen juridisch gezien met name de onafhankelijkheid van de centrale bank en de juridische integratie van de NCB in het Eurosysteem.
2.2.1.2 Structuur van de juridische beoordeling
De juridische beoordeling volgt in grote lijnen het kader van de vorige verslagen van de ECB en het EMI over juridische convergentie.[19]
De verenigbaarheid van de nationale wetgeving wordt beoordeeld in het licht van de vóór 25 maart 2026 vastgestelde wetgeving.
2.2.2 Reikwijdte van de aanpassing
2.2.2.1 Terreinen van aanpassing
Om vast te kunnen stellen welke gebieden van de nationale wetgeving aanpassing behoeven, worden de volgende aangelegenheden onderzocht:
- verenigbaarheid met de verdragsbepalingen betreffende de onafhankelijkheid van de NCB’s, leden van de besluitvormende organen en presidenten van de NCB’s (artikel 130) en met de ESCB-statuten (artikel 7 en artikel 14.2);
- verenigbaarheid met de bepalingen inzake het beroepsgeheim (artikel 37 van de ESCB-statuten);
- verenigbaarheid met het verbod op monetaire financiering (artikel 123 van het Verdrag) en met het verbod op bevoorrechte toegang (artikel 124 van het Verdrag);
- verenigbaarheid met de bij het Unierecht vereiste uniforme spelling van de euro, en
- de juridische integratie van de NCB’s in het Eurosysteem (met name met het oog op de artikelen 12.1 en 14.3 van de ESCB-statuten).
2.2.2.2 ‘Verenigbaarheid’ versus ‘harmonisatie’
Artikel 131 van het Verdrag vereist dat nationale wetgeving ‘verenigbaar’ is met de Verdragen en de ESCB-statuten; onverenigbaarheden moeten dan ook worden weggenomen. Noch de voorrang van het Verdrag en de ESCB-statuten boven de nationale wetgeving noch de aard van de onverenigbaarheid laten de verplichting tot naleving van deze verplichting onverlet.
Het vereiste dat de nationale wetgeving ‘verenigbaar’ moet zijn, betekent niet dat het Verdrag ‘harmonisatie’ vereist van de statuten van de NCB’s onderling of met de ESCB-statuten. Nationale bijzonderheden kunnen blijven bestaan, voor zover deze geen inbreuk maken op de exclusieve bevoegdheid op het gebied van monetaire aangelegenheden die onherroepelijk aan de EU is toegekend. Krachtens artikel 14.4 van de ESCB-statuten mogen de NCB’s andere functies te vervullen dan die omschreven in de ESCB-statuten, voor zover deze andere functies de doelstellingen en taken van het ESCB niet doorkruisen[20]. Bepalingen in de statuten van de NCB’s die dergelijke aanvullende functies toestaan, zijn een duidelijk voorbeeld van verschillen die mogen blijven bestaan. De term ‘verenigbaar’ houdt veeleer in dat de nationale wetgeving en de ESCB-statuten van de NCB’s moeten worden aangepast om onverenigbaarheden met de Verdragen en de ESCB-statuten weg te nemen en de noodzakelijke mate van integratie van de NCB’s in het ESCB te verzekeren. Met name moeten die bepalingen die een inbreuk vormen op de onafhankelijkheid van een NCB, zoals neergelegd in het Verdrag, en op haar rol als integrerend onderdeel van het ESCB., worden aangepast In dat verband volstaat het niet uitsluitend te vertrouwen op de voorrang van het Unierecht op de nationale wetgeving.
De verplichting in artikel 131 van het Verdrag heeft uitsluitend betrekking op onverenigbaarheid met de Verdragen en de ESCB-statuten. Nationale wetgeving die onverenigbaar is met secundaire Uniewetgeving en die relevant is voor de onderzochte aanpassingsgebieden in dit convergentieverslag, moet evenwel in overeenstemming worden gebracht met die secundaire Uniewetgeving. De voorrang van het Unierecht laat de verplichting tot aanpassing van de nationale wetgeving onverlet. Dit algemene vereiste volgt niet alleen uit artikel 131 van het Verdrag, maar ook uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie.[21]
De Verdragen en de ESCB-statuten schrijven niet voor op welke wijze de nationale wetgeving moet worden aangepast. Verenigbaarheid kan derhalve worden bereikt door nationale wetgeving die onverenigbaar is met het Unierecht in te trekken, door te verwijzen naar de Verdragen en de ESCB-statuten of, bij wijze van uitzondering, door bepalingen daaruit op te nemen en te verwijzen naar de herkomst ervan, met inachtneming van de volgende voorbehouden.
In de regel moet het overnemen van relevante bepalingen van het Unierecht die rechtstreeks van toepassing zijn in de rechtsorde van de lidstaat die dezelfde taal bezigt, worden vermeden.[22] Het overnemen van dergelijke bepalingen kan leiden tot onzekerheid over zowel de juridische aard en de oorsprong van de toepasselijke bepalingen als de datum van inwerkingtreding. Dit zou niet in overeenstemming zijn met het beginsel van uniforme toepassing en uitlegging van het Unierecht in de gehele Unie.[23] Bovendien geldt dat wanneer een nationale bepaling een andere bewoording gebruikt dan de desbetreffende bepaling van de Unie, deze bepaling een eigen regelgevende inhoud creëert. Overeenkomstig artikel 2, lid 1, van het Verdrag sluit de exclusieve bevoegdheid van de Unie op het gebied van het monetair beleid uit dat de lidstaten bepalingen vaststellen die, gelet op het doel en de inhoud ervan, rechtsvoorschriften bevatten betreffende het gebruik van de euro als gemeenschappelijke munt, tenzij de lidstaten daartoe gemachtigd zijn.[24] In dit verband is het begrip monetair beleid niet beperkt tot de operationele tenuitvoerlegging ervan, hetgeen uit hoofde van artikel 127, lid 2, eerste streepje, van het Verdrag een van de fundamentele taken van het Eurosysteem is. Het waarborgen van de status van de euro als gemeenschappelijke munt heeft ook een regelgevende dimensie.[25]
In uitzonderlijke omstandigheden kan het overnemen van relevante bepalingen van het Unierecht die rechtstreeks toepasselijk zijn in de rechtsorde van de lidstaat die dezelfde taal bezigt, worden gebruikt omwille van de samenhang en om ze begrijpelijk te maken voor de personen op wie zij van toepassing zijn. Wanneer er sprake is van dergelijke uitzonderlijke omstandigheden die het overnemen van rechtstreeks toepasselijke bepalingen van het Unierecht mogelijk maken, moeten de bepalingen nauwkeurig worden overgenomen en mag de formulering niet worden gewijzigd[26]. Voorts mogen bepalingen alleen worden overgenomen voor zover uitzonderlijke omstandigheden dit rechtvaardigen. Dergelijke uitzonderlijke omstandigheden bestaan echter niet wanneer de rechtstreeks toepasselijke bepalingen van het Unierecht voldoende samenhangend en alomvattend zijn, waardoor het niet nodig is ze in de nationale wetgeving te herhalen of weer te geven[27]. Wanneer rechtstreeks toepasselijke bepalingen van het Unierecht slechts relevant zijn voor de gebieden die onder het nationale recht vallen, hoeft de nationale wetgeving niet naar deze bepalingen te verwijzen. Voor zover in de nationale wetgeving bovengenoemde redenen noodzakelijkerwijs rechtstreeks toepasselijke bepalingen van het Unierecht worden overgenomen, moet dit uitdrukkelijk geschieden en worden verduidelijkt dat de bepalingen ervan ‘in overeenstemming zijn met’ de toepasselijke bepalingen van het Unierecht of deze in acht nemen wanneer deze bepalingen louter worden overgenomen om het nationale recht in ruimere context te plaatsen, of ‘onverminderd’ de toepasselijke bepalingen van het Unierecht wanneer een nationale autoriteit resterende bevoegdheden uitoefent die verder gaan dan die welke binnen het ESCB en het Eurosysteem worden uitgeoefend.[28]
Bovendien met, als instrument om de verenigbaarheid van nationale wetgeving met de Verdragen en ESCB-statuten te waarborgen en handhaven, de ECB krachtens artikel 127, lid 4, en artikel 282, lid 5, van het Verdrag en artikel 4 van de ESCB-statuten, door de instellingen van de Unie en de lidstaten worden geraadpleegd over elk ontwerp van wettelijke bepalingen op de gebieden die onder haar bevoegdheid vallen. In Raadsbeschikking 98/415/EG[29] worden de lidstaten uitdrukkelijk opgeroepen de noodzakelijke maatregelen te nemen om aan deze verplichting te voldoen.
2.2.3 Onafhankelijkheid van NCB’s
Wat betreft de onafhankelijkheid van de centrale banken moest de nationale wetgeving in de lidstaten die in 2004, 2007 of 2013 tot de EU zijn toegetreden, worden aangepast om te voldoen aan de desbetreffende bepalingen van het Verdrag en de Statuten van het ESCB, en op respectievelijk 1 mei 2004, 1 januari 2007 en 1 juli 2013 van kracht zijn.[30] Zweden moest de noodzakelijke aanpassingen in werking doen treden vóór de oprichting van het ESCB op 1 juni 1998.
2.2.3.1 Onafhankelijkheid van de centrale bank
In November 1995 heeft het EMI een lijst met kenmerken van de onafhankelijkheid van centrale banken opgesteld (zoals later gedetailleerd beschreven in het EMI-Convergentieverslag van 1998), die toentertijd de grondslag hebben gevormd voor de beoordeling van de nationale wetgeving van de lidstaten, met name van de statuten van de NCB’s. De onafhankelijkheid van de centrale bank omvat verschillende aspecten van onafhankelijkheid die afzonderlijk moeten worden beoordeeld, te weten functionele, institutionele, personele en financiële onafhankelijkheid. De afgelopen jaren is de analyse van deze aspecten van onafhankelijkheid van de centrale bank nader uitgewerkt in adviezen van de ECB. Deze aspecten vormen de grondslag van de beoordeling van de mate van convergentie van de nationale wetgeving van de lidstaten met een derogatie en de Verdragen en de ESCB-statuten.
2.2.3.2 Functionele onafhankelijkheid
De onafhankelijkheid van de centrale bank is geen doel op zich, maar een middel ter verwezenlijking van een doelstelling die duidelijk moet zijn vastgelegd en voorrang dient te hebben op alle andere doelstellingen. Functionele onafhankelijkheid vereist dat de primaire doelstelling van elke NCB duidelijk is en rechtszekerheid biedt, en voorts dat deze doelstelling volledig in overeenstemming is met de in het Verdrag neergelegde primaire doelstelling van prijsstabiliteit. Deze doelstelling wordt gerealiseerd door de NCB’s van de nodige middelen en instrumenten te voorzien om dit doel onafhankelijk van enige andere autoriteit te bereiken. De door het Verdrag vereiste onafhankelijkheid van de centrale bank weerspiegelt het algemene inzicht dat de primaire doelstelling van prijsstabiliteit het best wordt gediend door een volledig onafhankelijke instelling met een exact geformuleerd mandaat. De onafhankelijkheid van de centrale bank is volledig verenigbaar met de verantwoordingsplicht van de NCB’s voor hun besluiten, hetgeen van belang is voor het vergroten van het vertrouwen in de onafhankelijke status van NCB’s. Dit vereist transparantie en dialoog met derden.
Wat de timing betreft maakt het Verdrag niet duidelijk wanneer de NCB’s van lidstaten met een derogatie moeten voldoen aan de in artikel 127, lid 1 en artikel 282, lid 2, van het Verdrag en artikel 2 van de ESCB-statuten vastgelegde hoofddoelstelling van prijsstabiliteit. Voor de lidstaten die na de invoeringsdatum van de euro in de EU tot de Unie zijn toegetreden, is onduidelijk of deze verplichting ingaat op de toetredingsdatum of vanaf de datum waarop die lidstaten de euro hebben aangenomen. Hoewel artikel 127, lid 1, van het Verdrag niet van toepassing is op de lidstaten met een derogatie (zie artikel 139, lid 2, punt c), van het Verdrag), is artikel 2 van de ESCB-statuten wel van toepassing op die lidstaten (zie artikel 42.1 van de ESCB-statuten). De ECB is van mening dat de verplichting voor de nationale centrale banken om prijsstabiliteit als hun hoofddoelstelling te hanteren, voor Zweden geldt vanaf 1 juni 1998, en voor de lidstaten die op die data tot de EU zijn toegetreden, vanaf 1 mei 2004, 1 januari 2007 en 1 juli 2013. Deze conclusie is gebaseerd op het feit dat een van de grondbeginselen van de Europese Unie, te weten prijsstabiliteit (artikel 119 van het Verdrag), ook geldt voor de lidstaten met een derogatie. Daarnaast vindt deze conclusie haar grondslag in de verdragsdoelstelling dat alle lidstaten moeten streven naar macro-economische convergentie, waaronder prijsstabiliteit, hetgeen de onderliggende gedachte is van regelmatige verslagen van de ECB en de Europese Commissie. Deze conclusie is mede gebaseerd op de grondgedachte van de onafhankelijkheid van de centrale bank, die enkel gerechtvaardigd is als prijsstabiliteit als hoofddoelstelling prevaleert.
De landenbeoordelingen in dit verslag zijn gebaseerd op deze conclusies met betrekking tot het tijdstip waarop de NCB’s van de lidstaten met een derogatie verplicht zijn prijsstabiliteit als hun hoofddoelstelling te hanteren.
2.2.3.3 Institutionele onafhankelijkheid
De institutionele onafhankelijkheid komt tot uitdrukking in artikel 130 van het Verdrag en artikel 7 van de ESCB-statuten. Beide artikelen verbieden de NCB’s en de leden van hun besluitvormende organen instructies te vragen aan dan wel te aanvaarden van instellingen, organen of instanties van de Unie, regeringen van lidstaten of enig ander orgaan. Bovendien verbieden zij de instellingen, organen of instanties van de Unie en de regeringen van de lidstaten om invloed uit te oefenen op die leden van de besluitvormingsorganen van de nationale centrale banken (NCB’s) wier beslissingen van invloed kunnen zijn op de uitvoering van de ESCB-gerelateerde taken van de NCB’s. Nationale wetgeving die artikel 130 van het Verdrag en artikel 7 van de ESCB-statuten overneemt, moet deze beide verbodsbepalingen bevatten en mag de werkingssfeer ervan niet beperken.[31] De erkenning dat centrale banken een dergelijke onafhankelijkheid hebben, heeft niet tot gevolg dat zij kunnen worden vrijgesteld van alle rechtsregels of dat zij buiten elke vorm van wetgeving kunnen worden gehouden.[32]
Ongeacht of een NCB is georganiseerd als overheidsorgaan, als bijzonder publiekrechtelijk orgaan of gewoonweg als een naamloze vennootschap, bestaat het risico dat de eigenaar invloed uitoefent op de besluitvorming over de taken in het kader van het ESCB uit hoofde van dat eigendom.[33] Een dergelijke beïnvloeding, hetzij via de rechten van aandeelhouders of anderszins, kan de onafhankelijkheid van een NCB aantasten en dient derhalve bij wet te worden ingeperkt.
Het rechtskader voor centrale banken moet een stabiele basis en langetermijnbasis vormen voor de werking van centrale banken. Frequente wijzigingen in de institutionele structuur van een NCB, die de stabiliteit van haar organisatie of bestuursstructuur aantasten, zouden de institutionele onafhankelijkheid van die NCB negatief kunnen beïnvloeden.[34]
Verbod op het geven van instructies
Het recht van derden om instructies te geven aan de NCB’s, aan hun besluitvormende organen of aan de leden ervan, zijn onverenigbaar met het Verdrag en de ESCB-statuten voor zover het de taken in het kader van het ESCB betreft.
Elke betrokkenheid van een NCB bij de toepassing van maatregelen ter versterking van de financiële stabiliteit moet verenigbaar te zijn met het Verdrag, d.w.z. dat de taken van een NCB moeten worden uitgevoerd op een wijze die volledig in overeenstemming is met haar functionele, institutionele en financiële onafhankelijkheid, teneinde de correcte uitvoering van haar taken krachtens het Verdrag en de ESCB-statuten te waarborgen.[35] Indien nationale wetgeving voorziet in een rol van een NCB die verder gaat dan een adviserende rol en vereist dat de NCB extra taken op zich neemt, moet worden verzekerd dat ondanks deze taken de NCB haar taken in het kader van het ESCB vanuit operationeel en financieel oogpunt kan vervullen.[36] Bovendien zou bij de opname van vertegenwoordigers van NCB’s in collegiale besluitvormende toezichthoudende organen of andere autoriteiten voldoende aandacht moeten worden besteed aan de waarborgen voor de persoonlijke onafhankelijkheid van de leden van besluitvormende organen van de NCB.[37]
Verbod om besluiten goed te keuren, op te schorten, te vernietigen of uit te stellen
Rechten van derden om besluiten van NCB’s goed te keuren, op te schorten, te vernietigen of uit te stellen zijn onverenigbaar met het Verdrag en de ESCB-statuten voor zover het taken in het kader van het ESCB betreft.[38]
Verbod om besluiten op juridische gronden te toetsen
Het recht van andere instanties dan onafhankelijke rechtbanken om op juridische gronden beslissingen met betrekking tot de uitvoering taken in het kader van het ESCB te censureren is onverenigbaar met het Verdrag en de ESCB-statuten, aangezien de uitvoering van deze taken niet op politiek niveau mag worden herbeoordeeld. Een recht van een president van een NCB om de uitvoering van een besluit van het ESCB of een besluitvormend orgaan van een NCB op juridische gronden op te schorten en vervolgens ter definitieve beslissing voor te leggen aan een politiek orgaan, zou neerkomen op het vragen van instructies aan derden.
Verbod om met stemrecht deel te nemen aan besluitvormende organen van een NCB
De deelname van vertegenwoordigers van derden aan een besluitvormend orgaan van een NCB met stemrecht over aangelegenheden die betrekking hebben op de uitvoering van taken in verband met het ESCB door de NCB is onverenigbaar met het Verdrag en de ESCB-statuten, zelfs indien die stem niet doorslaggevend is.[39] Een dergelijke deelname, zelfs zonder stemrecht, is onverenigbaar met het Verdrag en de ESCB-statuten indien deze deelname de uitvoering van haar taken in het kader van het ESCB door die besluitvormende organen belemmert of naleving van de geheimhoudingsregeling van het ESCB in gevaar brengt.[40]
Verbod op ex ante consultatie met betrekking tot een besluit van een NCB
Een uitdrukkelijke statutaire verplichting voor een NCB om derden vooraf te raadplegen over een door haar te nemen besluit verschaft hen een formeel mechanisme om het uiteindelijke besluit te beïnvloeden en is derhalve onverenigbaar met het Verdrag en de ESCB-statuten.
Een dialoog tussen een NCB en derden, ook indien het een wettelijk verplichte informatieverstrekking en standpuntenuitwisseling betreft, is evenwel verenigbaar met de onafhankelijkheid van de centrale bank, op voorwaarde dat:
- dit niet leidt tot inmenging in de onafhankelijkheid van de leden van de besluitvormende organen van de NCB;
- de bijzondere status van de presidenten in hun hoedanigheid als lid van de besluitvormende organen van de ECB volledig wordt geëerbiedigd, en
- de geheimhoudingsplichten die voorvloeren uit de ESCB-Statuten worden nageleefd.[41]
Het verlenen van decharge ten aanzien van taken van leden van besluitvormende organen van een NCB
Wettelijke bepalingen met betrekking tot het verlenen van decharge door derden (zoals de regering) ten aanzien van taken van leden van besluitvormende organen van een NCB (bijvoorbeeld met betrekking tot de gevoerde administratie) dienen voldoende waarborgen te bieden, waardoor deze dechargebevoegdheid geen afbreuk doet aan de bevoegdheid van een afzonderlijke NCB om onafhankelijk besluiten te nemen met betrekking tot de taken in het kader van het ESCB (of besluiten uit te voeren die op ESCB-niveau zijn vastgesteld). Aanbevolen wordt daartoe een uitdrukkelijke bepaling in de statuten van de NCB op te nemen.
Verhouding tussen de nationale wetgeving en het door de ECB vastgestelde ethische kader
Nationale wetgeving, met inbegrip van de wetgeving tot omzetting van EU-wetgeving, doet geen afbreuk aan het ethisch kader dat door de ECB is vastgesteld om de onafhankelijkheid van de ECB en de NCB’s te waarborgen bij de uitoefening van de bevoegdheden en het vervullen van de taken en plichten die hun bij de Verdragen en de ESCB-statuten zijn opgedragen, aangezien dit kader een eigen reikwijdte en rechtsgrondslag heeft.[42] Om twijfel te voorkomen, kan de nationale wetgever dit in de desbetreffende nationale wetgeving verduidelijken.
2.2.3.4 Persoonlijke onafhankelijkheid
Voorts waarborgen artikel 130 van het Verdrag en artikel 7 en artikel 14.2 van de ESCB-statuten de onafhankelijkheid van de centrale bank ten aanzien van presidenten en leden van besluitvormende organen van NCB. De presidenten zijn leden van de Algemene Raad van de ECB en worden lid van de Raad van bestuur nadat hun lidstaat de euro heeft aangenomen. De presidenten kunnen niet als vertegenwoordigers van een lidstaat worden beschouwd wanneer zij hun taken als leden van de Raad van bestuur of Algemene Raad van de ECB uitoefenen.[43] Artikel 14.2 van de ESCB-statuten bepaalt dat de statuten van de NCB’s in het bijzonder bepalen dat de ambtstermijn van een president minimaal vijf jaar is. Deze bepaling biedt ook bescherming tegen de willekeurige ontheffing van een president van het ambt als de president niet meer voldoet aan de eisen voor de uitoefening van het ambt of op ernstige wijze is tekortgeschoten. In dergelijke gevallen voorziet artikel 14.2 van de ESCB-statuten in de mogelijkheid om beroep in te stellen bij het Hof van Justitie van de Europese Unie, dat bevoegd is om het nationale besluit om een president van het ambt te ontheffen nietig te verklaren.[44] De schorsing van een president kan effectief neerkomen op een ontheffing van het ambt in de zin van artikel 14.2 van de ESCB-statuten.[45] De statuten van een NCB moeten aan deze bepaling voldoen zoals hieronder uiteengezet.
Artikel 130 van het Verdrag verbiedt dat nationale regeringen en enig ander lichaam invloed uitoefenen op leden van de besluitvormende organen van de NCB’s bij de uitvoering van hun taken. Met name mogen de lidstaten niet trachten invloed uit te oefenen op de leden van de besluitvormende organen van de NCB door nationale wetgeving te wijzigen die van invloed is op hun bezoldiging; deze wetgeving dient in beginsel alleen te gelden voor toekomstige benoemingen.[46] De vereisten van onafhankelijkheid van artikel 130 van het Verdrag worden echter niet geschonden door wijzigingen in de beloning van de leden van de besluitvormende organen van de NCB’s die zijn gebaseerd op objectieve criteria, bijvoorbeeld door het benchmarken van salarissen om de evenredigheid tussen de verschillende hiërarchische posities bij een NCB te waarborgen.[47]
Minimale ambtstermijn van een president
Overeenkomstig artikel 14.2 van de ESCB-statuten moeten de statuten van NCB bepalen dat een ambtstermijn van een president minimaal vijf jaar is. Dit sluit een langere ambtstermijn niet uit, waarbij een ambtstermijn voor onbepaalde tijd geen aanpassing van de statuten vereist, mits de gronden waarop de president van zijn ambt kan worden ontheven in overeenstemming zijn met die van artikel 14.2 van de ESCB-statuten. Kortere termijnen kunnen niet worden gerechtvaardigd, zelfs niet wanneer zij gedurende een overgangsperiode worden toegepast.[48] Nationale wetgeving die voorziet in een verplichte pensioenleeftijd dient te verzekeren dat deze leeftijdsgrens geen onderbreking vormt van de in artikel 14.2 van de ESCB-statuten opgenomen minimale ambtstermijn, die voorrang heeft boven een verplichte pensioenleeftijd indien deze van toepassing is op een president.[49] Indien de statuten van een NCB worden gewijzigd, dient de wetswijziging de ambtszekerheid van de president, alsmede van de andere leden van de besluitvormende organen die betrokken zijn bij de uitvoering van de taken in het kader van het ESCB te waarborgen.[50]
Redenen om een president van het ambt te ontheffen
De statuten van een NCB moeten waarborgen dat de president slechts van zijn ambt kan worden ontheven op de in artikel 14.2 van de ESCB-statuten genoemde gronden. Het vereiste uit hoofde van dat artikel beoogt te voorkomen dat de bij de benoeming van een president betrokken autoriteiten, met name de regering of het parlement, een president naar hun goeddunken van het ambt kunnen ontheffen. In de statuten van de NCB’s dient elke onverenigbaarheid met de in artikel 14, lid 2, van de ESCB-statuten vastgelegde gronden voor ontslag te worden geschrapt, of dient elke verwijzing naar gronden voor ontslag te worden weggelaten (aangezien artikel 14, lid 2, rechtstreeks van toepassing is).[51] Zodra gouverneurs zijn gekozen of benoemd, kunnen zij niet uit hun ambt worden ontheven onder andere voorwaarden dan die welke zijn vermeld in artikel 14, lid 2, van de statuten van het ESCB, zelfs indien zij hun functie nog niet hebben aanvaard. Aangezien de voorwaarden waaronder een president van het ambt kan worden ontheven, autonome begrippen van het Unierecht zijn, hangt de toepassing en uitlegging ervan niet af van de nationale context.[52] Uiteindelijk is het aan het Hof van Justitie van de Europese Unie om deze begrippen uit te leggen, overeenkomstig de bevoegdheden die op grond van artikel 14.2, tweede alinea, van de ESCB-statuten aan het Hof zijn toegekend.[53]
Ambtszekerheid en redenen voor ontheffing van het ambt voor andere leden van de besluitvormende organen van de NCB dan de presidenten, die betrokken zijn bij de uitvoering van taken in het kader van het ESCB.
De toepassing van dezelfde regels voor de zekerheid van de ambtstermijn en de gronden voor ontheffing van een president van het ambt op andere leden van de besluitvormende organen van de NCB’s die betrokken zijn bij de uitvoering van taken in het kader van het ESCB, zal ook de persoonlijke onafhankelijkheid van die personen waarborgen.[54] Artikel 130 van het Verdrag en artikel 7 van de ESCB-statuten verwijzen naar ‘leden van de besluitvormende organen’ van NCB’s en niet specifiek naar presidenten. Dit geldt met name wanneer een gouverneur ‘eerste onder gelijken’ is ten opzichte van collega’s met gelijke stemrechten, of wanneer dergelijke andere leden betrokken zijn bij de uitvoering van taken in het kader van het ESCB.
Recht op juridische toetsing
Presidenten en andere leden van de besluitvormende organen van de NCB’s moeten het recht hebben een besluit inzake ontheffing van hun ambt aan een onafhankelijke rechter voor te leggen, teneinde de mogelijkheid van politieke willekeur bij de beoordeling van de gronden voor een dergelijk besluit te beperken.
Artikel 14.2 van de ESCB-statuten bepaalt dat een president van een NCB die van het ambt is ontheven tegen dat besluit beroep kan instellen bij het Hof van Justitie van de Europese Unie. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft de bevoegdheid om de nationale ontheffingsmaatregel nietig te verklaren indien deze in strijd met het Unierecht wordt bevonden.
Op basis van artikel 130 van het Verdrag en artikel 7 van de ESCB-statuten dient de nationale wetgeving te voorzien in een recht van toetsing door de nationale rechter van een besluit tot ontslag van leden van besluitvormende organen van de NCB’s (m.u.v. presidenten) die betrokken zijn bij de tenuitvoerlegging van taken in het kader van het ESCB.[55] Dit recht kan hetzij in het algemeen geldende recht of in een specifieke bepaling worden vastgelegd. Ook al zou dit recht besloten liggen in het algemeen geldende recht, kan het omwille van de rechtszekerheid raadzaam zijn een dergelijk toetsingsrecht specifiek vast te leggen.
Waarborgen tegen belangenconflicten
Persoonlijke onafhankelijkheid houdt ook in dat er geen belangenconflict ontstaat tussen de taken van de leden van de besluitvormende organen van de NCB’s die betrokken zijn bij de uitvoering van taken in het kader van het ESCB ten aanzien van hun respectieve NCB’s (en in het geval van presidenten, ook ten aanzien van de ECB) en eventuele andere functies die deze leden van de besluitvormende organen bekleden en die hun persoonlijke onafhankelijkheid in gevaar zouden kunnen brengen.[56] Het lidmaatschap van een besluitvormend orgaan dat betrokken is bij de uitvoering van met taken in het kader van het ESCB is in beginsel onverenigbaar met de uitoefening van andere functies die aanleiding kunnen geven tot belangenconflicten. Met name mogen leden van dergelijke besluitvormende organen geen functie bekleden of belangen hebben die hun werkzaamheden kunnen beïnvloeden, of het nu gaat om een functie in de uitvoerende of wetgevende macht van de staat of in regionale of lokale overheden, of om betrokkenheid bij een bedrijfsorganisatie. Er moet bijzondere aandacht worden besteed aan het voorkomen van mogelijke belangenconflicten bij niet-uitvoerende leden van besluitvormingsorganen.
2.2.3.5 Financiële onafhankelijkheid
De algehele onafhankelijkheid van een NCB zou in het gedrang komen indien zij niet autonoom over voldoende financiële middelen zou kunnen beschikken om haar mandaat te vervullen, dat wil zeggen om taken in het kader van het ESCB uit te voeren die krachtens het Verdrag en de Statuten van het ESCB van haar worden verlangd.[57]
De lidstaten mogen hun NCB’s niet in een zodanige positie brengen dat deze over onvoldoende financiële middelen en onvoldoende eigen vermogen[58] beschikken om hun taken in het kader van het ESCB of het Eurosysteem, al naargelang van het geval, uit te voeren. Dit zou bijvoorbeeld het geval zijn als een NCB werd uitgesloten van het aanleggen van voldoende financiële middelen in de vorm van reserves of buffers ter compensatie van verliezen, met name die welke voortvloeien uit monetairbeleidstransacties, en de betrokken lidstaat niet bij voorbaat zou waarborgen dat dat de NCB over de nodige middelen beschikt om de financiële lasten te dragen die voortvloeien uit de uitoefening van een functie buiten het toepassingsgebied van ESCB ((zoals de middelen die nodig zijn om de schadevergoeding te kunnen betalen die voortvloeit uit de aansprakelijkheidsregeling voor die functie), terwijl zij tegelijkertijd haar vermogen behoudt om haar ESCB-taken doeltreffend en onafhankelijk uit te voeren.[59] Opgemerkt zij dat de artikelen 28.1 en 30.4 van de ESCB-statuten voorzien de in de mogelijkheid dat de ECB tot verdere aanvullende bijdragen aan het kapitaal van de ECB van de NCB’s en tot verdere stortingen van externe reserves kan oproepen.[60] Bovendien bepaalt artikel 33.2[61] van de ESCB-statuten dat, in geval van een verlies van de ECB dat niet volledig uit het algemeen reservefonds kan worden gedekt, de Raad van bestuur van de ECB kan besluiten het resterende verlies te dekken uit de monetaire inkomsten van het betrokken boekjaar, naar rato en tot beloop van de bedragen die aan de NCB’s zijn toegedeeld. Het beginsel van financiële onafhankelijkheid houdt in dat naleving van deze bepalingen vereist dat een NCB haar taken ongehinderd kan vervullen.
Om alle voornoemde redenen houdt financiële onafhankelijkheid ook in dat een NCB steeds voldoende gekapitaliseerd is. Met name moet elke situatie worden vermeden waarin het netto eigen vermogen van een NCB gedurende een langere periode onder het niveau van haar wettelijk kapitaal ligt of zelfs negatief is, ook wanneer verliezen die het niveau van het kapitaal en de reserves overschrijden, worden overgedragen.[62] Dergelijke situaties kunnen een negatieve invloed hebben op het vermogen van de NCB om haar taken in het kader van het ESCB uit te voeren. Bovendien kan een dergelijke situatie de geloofwaardigheid van het monetair beleid van het Eurosysteem beïnvloeden. Indien het netto eigen vermogen van een NCB onder het wettelijke vereiste kapitaal ligt of zelfs negatief is, dient de respectieve lidstaat de NCB binnen een redelijke termijn een passend bedrag aan kapitaal moeten verstrekken, ten minste tot het niveau van het statutaire kapitaal, teneinde te voldoen aan het beginsel van financiële onafhankelijkheid. Wat de ECB betreft, is het belang van deze kwestie al onderkend door de Raad met de vaststelling van Verordening (EG) nr. 1009/2000.[63] De verordening stelt de Raad van bestuur van de ECB in staat te besluiten tot een daadwerkelijke verhoging van het kapitaal van de ECB ervoor te zorgen dat de kapitaalbasis toereikend blijft ter ondersteuning van de activiteiten van de ECB;[64] de NCB’s moeten financieel in staat zijn om op een dergelijk besluit van de ECB in te spelen.
Het begrip ‘financiële onafhankelijkheid’ moet worden beoordeeld vanuit de vraag of een derde partij in staat is om directe of indirecte invloed uit te oefenen, niet alleen op de ESCB-gerelateerde taken van een NCB, maar ook op het vermogen van die NCB om haar mandaat financieel na te komen in termen van toereikende financiële middelen. De hiernavolgende aspecten van financiële onafhankelijkheid zijn dienaangaande van bijzonder belang.[65] Door deze facetten van financiële onafhankelijkheid zijn NCB’s zeer ontvankelijk voor externe beïnvloeding.
Vaststelling van de begroting
De bevoegdheid van een derde om de begroting van de NCB vast te stellen of te beïnvloeden is onverenigbaar met de financiële onafhankelijkheid, tenzij de wet voorziet in een vrijwaringsclausule die waarborgt dat een dergelijke bevoegdheid geen afbreuk doet aan de financiële middelen die nodig zijn voor de uitvoering van de taken van de NCB in het kader van het ESCB.[66]
De boekhoudkundige regels
De rekeningen moeten worden opgesteld volgens algemene boekhoudregels of volgens regels die zijn vastgelegd door de besluitvormende organen van de NCB. Indien in plaats daarvan die regels echter door derden worden vastgesteld, moeten die regels ten minste rekening houden met hetgeen de besluitvormende organen van de NCB hebben voorgesteld.
De jaarrekening moet worden vastgesteld door de besluitvormende organen van de NCB, bijgestaan door onafhankelijke accountants, en kan onderworpen zijn aan goedkeuring achteraf door derden (zoals de regering of het parlement). De besluitvormende organen van de NCB moeten onafhankelijk en professioneel kunnen beslissen over de winstberekening.
Indien de activiteiten van een NCB onder toezicht staan van een nationale rekenkamer of een soortgelijke instantie die belast is met het toezicht op het gebruik van overheidsmiddelen, moet de reikwijdte van de controle duidelijk worden afgebakend door het wettelijk kader[67], mag deze geen afbreuk doen aan de activiteiten van de onafhankelijke externe accountants[68] van de NCB en moet deze, in overeenstemming met het beginsel van institutionele onafhankelijkheid, voldoen aan het verbod op het geven van instructies aan een NCB en haar besluitvormingsorganen en mag deze geen invloed uitoefenen op de taken van de NCB in het kader van het ESCB.[69] De overheidscontrole moet niet-politiek, onafhankelijk en zuiver professioneel worden uitgevoerd.[70]
Winstverdeling, kapitaal van NCB’s en financiële voorzieningen
Wat de winstverdeling betreft, kunnen de statuten van een NCB de winstverdeling voorschrijven. Bij ontstentenis van dergelijke bepalingen dienen besluiten over de toewijzing van winsten door de besluitvormende organen van de NCB te worden genomen op professionele gronden, en mogen deze niet onderworpen worden aan de discretionaire bevoegdheid van derden, tenzij er een uitdrukkelijke vrijwaringsclausule bestaat waarin wordt bepaald dat dit geen afbreuk doet aan de financiële middelen die nodig zijn voor de uitvoering van de taken van de NCB in het kader van het ESCB.[71]
Winsten mogen pas aan de staatsbegroting worden uitgekeerd nadat eventuele geaccumuleerde verliezen uit voorgaande jaren zijn gedekt en financiële voorzieningen zijn getroffen die noodzakelijk worden geacht voor de veiligstelling van de reële waarde van het kapitaal en de activa [72]. Tijdelijke of ad-hoc wetgevende maatregelen die neerkomen op instructies aan de NCB’ s met betrekking tot de verdeling van hun winst, zijn niet toegestaan.[73]
Inkomsten die de NCB uit het beheer van officiële externe reserves verwerft, mogen alleen aan de staat worden uitgekeerd via het proces van winstuitkering zoals uiteengezet in de desbetreffende wettelijke en statutaire bepalingen.[74] Een heffing op de niet-gerealiseerde kapitaalwinsten van een NCB zou eveneens afbreuk doen aan het beginsel van financiële onafhankelijkheid.[75]
Het is een lidstaat niet toegestaan het kapitaal van een NCB te verlagen zonder de voorafgaande toestemming van de besluitvormende organen van de NCB. Dit moet ervoor zorgen dat de NCB als lid van het ESCB over voldoende financiële middelen beschikt om haar mandaat uit hoofde van artikel 127, lid 2, van het Verdrag en de ESCB-statuten te vervullen. Om dezelfde reden mag een wijziging van de regels inzake winstverdeling van een NCB alleen worden geïnitieerd en vastgesteld in nauwe samenwerking met de NCB zelf, die het beste in staat is om het vereiste niveau van reservekapitaal te beoordelen.[76] Wat de financiële voorzieningen of buffers betreft, moeten de NCB’s de vrijheid hebben om onafhankelijk financiële voorzieningen te treffen om de reële waarde van het kapitaal en de activa veilig te stellen. Evenmin mogen lidstaten de NCB’s beletten hun reservekapitaal op te bouwen tot het niveau dat ESCB-leden in staat stelt hun taken te vervullen.[77]
Financiële aansprakelijkheid voor toezichthoudende autoriteiten
In de meeste lidstaten zijn financiële toezichthouders in hun NCB ondergebracht. Dit is onproblematisch, mits de bevoegde organen onderworpen zijn aan de onafhankelijke besluitvorming van de NCB. Indien de wettelijke bepalingen evenwel voorzien in een aparte besluitvorming voor dergelijke toezichthoudende autoriteiten, dan is het van belang te waarborgen dat door hen genomen besluiten de financiën van de NCB als geheel niet in gevaar kunnen brengen. In die gevallen moet nationale wetgeving de NCB in staat stellen de uiteindelijke zeggenschap uit te oefenen over besluiten van de toezichthoudende autoriteiten die van invloed kunnen zijn op de onafhankelijkheid van een NCB, met name de financiële onafhankelijkheid.[78]
Autonomie in personeelsaangelegenheden
De lidstaten mogen een NCB niet beperken in haar mogelijkheden om gekwalificeerd personeel in dienst te nemen en te behouden dat de NCB nodig heeft om de haar bij het Verdrag en de ESCB-statuten opgedragen taken onafhankelijk te vervullen.[79] Evenmin is het toegestaan dat een NCB beperkte of geen controle heeft over haar personeelsleden, of dat de regering van een lidstaat het personeelsbeleid van de NCB kan beïnvloeden.[80] Over elke wijziging van de wettelijke bepalingen inzake de bezoldiging van de leden van de besluitvormende organen van een NCB en van haar medewerkers dient te worden beslist in nauwe en doeltreffende samenwerking met de NCB[81], waarbij naar behoren rekening wordt gehouden met haar standpunten, teneinde te waarborgen dat de NCB haar taken ook in de toekomst onafhankelijk kan uitvoeren.[82] Autonomie op het gebied van personeelszaken omvat kwesties met betrekking tot werknemerspensioenen. Bovendien mogen wijzigingen die leiden tot verlagingen van de bezoldiging van het personeel van een NCB geen afbreuk doen aan de bevoegdheden van die NCB om haar eigen financiële middelen te beheren, met inbegrip van de middelen die voortvloeien uit eventuele verlagingen van de door haar uitbetaalde salarissen.[83]
Eigendom en eigendomsrechten
Het recht van derden om in te grijpen of instructies te geven aan een NCB met betrekking tot de door een NCB aangehouden activa is onverenigbaar met het beginsel van financiële onafhankelijkheid.
2.2.4 Geheimhouding
De geheimhoudingsplicht voor het personeel van de ECB en de NCB’s, evenals voor de leden van bestuursorganen van de ECB en de NCB’s uit hoofde van artikel 37 van de ESCB-statuten kan aanleiding geven tot soortgelijke bepalingen in de statuten van de NCB’s of in de wetgeving van de lidstaten. De voorrang van het Unierecht en de op basis van dat recht vastgestelde regelgeving houdt ook in dat nationale wetgeving betreffende toegang van derden tot documenten in overeenstemming moet zijn met de relevante bepalingen van het Unierecht, waaronder artikel 37 van de ESCB-statuten, en mag niet leiden tot schendingen van het geheimhoudingsregime van het ESCB.[84] De toegang van de rekenkamer of een soortgelijk orgaan tot vertrouwelijke informatie en documenten van een NCB is beperkt tot hetgeen noodzakelijk is voor de vervulling van de statutaire taken van het orgaan dat om de informatie verzoekt, en doet geen afbreuk aan de onafhankelijkheid en het geheimhoudingsregime van het ESCB waaraan de leden van de besluitvormende organen en de personeelsleden van de NCB's zijn onderworpen.[85] De NCB’s moeten waarborgen dat dergelijke organen de vertrouwelijkheid van informatie en documenten die openbaar worden gemaakt beschermen op een niveau dat overeenkomt met het door de NCB’s gehanteerde openbaarmakingsniveau.
2.2.5 Verbod op monetaire financiering en bevoorrechte toegang
Wat betreft het verbod op monetaire financiering en het verbod op bevoorrechte toegang moest de nationale wetgeving van de lidstaten die in 2004, 2007 of 2013 tot de EU zijn toegetreden, worden aangepast om te voldoen aan de desbetreffende bepalingen van het Verdrag en de Statuten van het ESCB, en moest deze wetgeving respectievelijk op 1 mei 2004, 1 januari 2007 en 1 juli 2013 van kracht zijn. Zweden moest de nodige aanpassingen vóór 1 januari 1995 in werking laten treden.
2.2.5.1 Verbod op monetaire financiering
Artikel 123, lid 1, van het Verdrag verbiedt het verlenen van voorschotten in rekening-courant of andere kredietfaciliteiten bij de ECB of de NCB’s van lidstaten ten behoeve van instellingen, organen of instanties van de Unie, centrale overheden, regionale, lokale of andere overheden, andere publiekrechtelijke lichamen of openbare bedrijven van de lidstaten.
Dit artikel verbiedt ook de rechtstreekse aankoop door de ECB of de NCB’s van schuldbewijzen van deze publiekrechtelijke lichamen. Het Verdrag bevat één uitzondering op het verbod: het verbod geldt niet voor kredietinstellingen die in handen zijn van de overheid en waaraan in het kader van de liquiditeitsvoorziening door de centrale banken dezelfde behandeling moeten worden gegeven als aan particuliere kredietinstellingen (artikel 123, lid 2, van het Verdrag). De precieze reikwijdte van de toepassing van het verbod op monetaire financiering wordt nader ingevuld door Verordening (EG) nr. 3603/93,[86] volgens welke bepalingen het verbod geldt voor iedere financiering van verplichtingen van de overheidssector jegens derden.
Het verbod op monetaire financiering beoogt de lidstaten aan te moedigen een gezond begrotingsbeleid te voeren, waarbij monetaire financiering van overheidstekorten of bevoorrechte toegang van de overheid tot de financiële markten niet mogen leiden tot buitensporig hoge schuldniveaus of buitensporige tekorten van de lidstaten.[87] Het verbod moet daarom ruim worden uitgelegd om de strikte toepassing ervan te verzekeren, behoudens enkele uitzonderingen die zijn vastgelegd in artikel 123, lid 2, van het Verdrag en Verordening (EG) nr. 3603/93. Zelfs indien artikel 123, lid 1, van het Verdrag specifiek naar ‘kredietfaciliteiten’ verwijst, d.w.z. met de terugbetalingsverplichting van de bedragen, geldt het verbod a fortiori voor andere financieringsvormen, d.w.z. zonder terugbetalingsverplichting.
Het algemene standpunt van de ECB over de verenigbaarheid van de nationale wetgeving met het verbod werd voornamelijk ontwikkeld binnen het kader van de raadplegingen van de ECB door de lidstaten betreffende ontwerpen van wettelijke bepalingen krachtens artikel 127, lid 4 en artikel 282, lid 5, van het Verdrag.[88]
Nationale wetgeving met betrekking tot het toepassingsgebied van het verbod op monetaire financiering
Nationale wetgeving mag het toepassingsgebied van het verbod op monetaire financiering noch inperken, noch de door de EU-wetgeving geboden vrijstellingen verruimen. Nationale wetgeving betreffende de financiering door NCB van financiële verplichtingen van een lidstaat aan internationale financiële instellingen of aan derde landen is bijvoorbeeld in beginsel onverenigbaar met het verbod op monetaire financiering. Bij wijze van uitzondering staat Verordening (EG) nr. 3603/93 de financiering door NCB's van de verplichtingen van de overheidssector jegens het IMF toe, mits dit resulteert in vorderingen op het buitenland die reserveactiva vormen.[89] De relevante kenmerken die de kwaliteit van de reserveactiva van de vorderingen bepalen betreffen de beschikbaarheid ervan om op verzoek te voorzien in de financieringsbehoeften van de betalingsbalans en andere daarmee verband houdende doeleinden, hetgeen impliceert dat de kredietkwaliteit en liquiditeit gewaarborgd moeten zijn.[90]
Nationale wetgeving waarbij taken worden toegewezen aan NCB’s
Nationale wetgeving waarbij taken aan NCB’s worden toegewezen, mag niet leiden tot enige financiering van de verplichtingen van de publieke sector jegens derden Overeenkomstig artikel 14.4 van de ESCB-statuten mogen NCB’s andere functies vervullen dan die omschreven in de statuten, tenzij de Raad van bestuur van oordeel is dat deze functies de doelstellingen en taken van het ESCB doorkruisen. Indien een lidstaat een dergelijke functie aan de NCB overdraagt, is die NCB verantwoordelijk en aansprakelijk voor de uitoefening van die functie. Niettemin moeten de lidstaten bij het bepalen van de verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid van een NCB in verband met die functie voldoen aan hun verplichtingen die voortvloeien uit het Unierecht, en met name uit artikel 123, lid 1, van het Verdrag.[91]
Artikel 1, lid 1, punt b), van Verordening (EG) nr. 3603/93 van de Raad definieert de term ‘andere kredietfaciliteit’ voor de toepassing van artikel 123 van het Verdrag als onder meer financiering van verplichtingen van de overheidssector jegens derden. Dienovereenkomstig mag de desbetreffende NCB geen verplichtingen aangaan ten aanzien van derden die mogelijk op de overheidssector rusten. De betreffende NCB mag derhalve geen reeds bestaande verplichtingen ten aanzien van derden financieren die op andere overheidsinstanties of -organen rusten, en de doeltreffende financiering van de verplichtingen jegens derden door de desbetreffende NCB mag niet rechtstreeks voortvloeien uit de genomen maatregelen of de door andere overheden of publiekrechtelijke lichamen gemaakte beleidskeuzen.[92]
Geavanceerde verdeling van de winsten van centrale banken
Nationale wetgeving mag niet voorschrijven dat winsten van de centrale bank die nog niet volledig zijn gerealiseerd, in de boekhouding zijn opgenomen en gecontroleerd, moeten worden uitgekeerd. Onder het verbod op monetaire financiering mag het bedrag dat overeenkomstig de toepasselijke winstuitkeringsregels aan de overheidsbegroting wordt uitgekeerd niet, zelfs niet gedeeltelijk, worden betaald uit het reservekapitaal van de NCB. Winstuitkeringsregels dienen daarom het reservekapitaal van de NCB ongemoeid te laten. Indien daarnaast de activa van een NCB aan de staat worden overgedragen, dan dient betaling tegen marktwaarde te geschieden en dienen de overdracht en betaling gelijktijdig plaats te vinden.[93]
Evenmin is interventie toegestaan bij het uitvoeren van overige Eurosysteemtaken, zoals het beheer van externe reserves door belastingheffing op theoretische en ongerealiseerde winsten, aangezien dat zou resulteren in een verrichting van centrale bankkrediet voor de overheidssector door middel van de vervroegde uitkering van toekomstige en onzekere winsten.[94] Evenzo zou een overdracht van de deviezenreserves (inclusief de goudreserves) van de balans van de NCB naar de staat een omzeiling betekenen van het verbod op monetaire financiering, dat de financiering van de publieke sector door de centrale bank verbiedt.[95] Inkomsten die de NCB uit het beheer van officiële externe reserves verwerft, kunnen alleen aan de staat worden uitgekeerd via het proces van winstuitkering zoals opgenomen in de desbetreffende wettelijke en statutaire bepalingen.[96]
Overname van overheidsverplichtingen
Nationale wetgeving die van een NCB vereist dat zij de verplichtingen van een eertijds onafhankelijk overheidsorgaan overneemt als gevolg van een nationale reorganisatie van bepaalde taken en functies (bijvoorbeeld in de context van een overdracht aan de NCB van bepaalde toezichttaken die voorheen werden uitgevoerd door de staat of onafhankelijke overheidsinstanties of -organen werden uitgevoerd), zonder dat de NCB volledig gevrijwaard wordt van alle financiële verplichtingen die voortvloeien uit eerdere activiteiten van dergelijke organen, zou onverenigbaar zijn met het verbod op monetaire financiering.[97]
Nationale wetgeving waarbij een NCB aansprakelijk wordt gesteld uit hoofde van de uitoefening van een krachtens nationaal recht aan haar opgedragen taak, zou de overname inhouden van een reeds bestaande verplichting jegens derden en onverenigbaar zijn met het verbod op monetaire financiering wanneer derden die schade hebben geleden, niet worden vergoed ten gevolge van de handelingen van de NCB, d.w.z. dat de NCB de aan haar in dat kader opgelegde regels schendt.[98] Daarnaast zou, in het geval van taken die de tenuitvoerlegging van zeer complexe en urgente maatregelen vereisen, zoals die met betrekking tot de sanering of de afwikkeling van banken, nationale wetgeving waarbij een NCB aansprakelijk wordt gesteld voor de uitoefening van dergelijke taken, neerkomen op de effectieve financiering van de verplichtingen jegens derden wanneer de aansprakelijkheid van de NCB niet beperkt is tot inbreuken van ernstige aard van de regels die in dat kader aan de NCB zijn opgelegd.[99]
Het Hof van Justitie heeft nog niet uiteengezet wat de beperkingen op inbreuken van ernstige aard van de aan een NCB opgelegde regels precies inhouden. Gezien de uiteenlopende tradities voor de aansprakelijkheid van de NCB’ in de nationale rechtsstelsels van de lidstaten, kunnen dergelijke beperkingen verschillende vormen aannemen, mits zij de daadwerkelijke financiering van de verplichtingen van de overheidssector jegens derden uitsluiten. Dit is het geval indien het nationale recht bij het regelen van de aansprakelijkheidscriteria voor schuld de aansprakelijkheid van de betrokken NCB beperkt tot grove nalatigheid, gelet op de urgentie en complexiteit van de zaak in kwestie.[100] De daadwerkelijke financiering van de verplichtingen van de overheidssector jegens derden is ook uitgesloten indien het nationale recht bij het regelen van de aansprakelijkheidscriteria voor onrechtmatig gedrag in plaats van schuld, de rechterlijke toetsing of relevante maatregelen beperkt door aan de betrokken NCB een ruime beoordelingsmarge toe te kennen, gelet op de urgentie en complexiteit van de zaak in kwestie.[101]
Financiële steun voor krediet- en/of financiële instellingen
Nationale wetgeving die voorziet in financiering door een NCB, zelfs indien onafhankelijk en naar eigen goeddunken verleend, van insolvente krediet — en/of andere financiële instellingen zou onverenigbaar zijn met het verbod op monetaire financiering.
Dezelfde overwegingen gelden indien het Eurosysteem een kredietinstelling financiert die is geherkapitaliseerd om weer solvent te worden, zulks door een directe plaatsing van door de overheid uitgegeven schuldbewijzen bij gebreke van marktgebaseerde financieringsbronnen (hierna ‘herkapitaliseringsobligaties’ genoemd) en indien die obligaties gebruikt moeten worden als onderpand. Indien de overheid een kredietinstelling herkapitaliseert door middel van een directe plaatsing van herkapitaliseringsobligaties werpt het daaropvolgende gebruik van herkapitaliseringsobligaties als onderpand in liquiditeitstransacties van centrale banken vragen betreffende monetaire financiering op.[102] Noodliquiditeitssteun, die een NCB onafhankelijk en naar eigen goeddunken aan een solvente kredietinstelling verleent tegen zakelijke zekerheid in de vorm van een overheidsgarantie, moet aan de volgende criteria voldoen: a) er moet worden gewaarborgd dat de NCB het krediet voor de kortst mogelijke termijn verstrekt; b) er moeten systeemstabiliteitsaspecten in het geding zijn; c) er mag geen twijfel bestaan over de rechtsgeldigheid en afdwingbaarheid van de staatsgarantie op grond van het toepasselijke nationale recht, en d) er mag geen twijfel bestaan over de economisch toereikende staatsgarantie, die zowel de hoofdsom als de lening als de rente van de leningen moet dekken.[103]
Financiële steun voor afwikkelingsfondsen of financiële regelingen en depositogarantie- en beleggerscompensatiestelsels
De financiering door een NCB van een afwikkelingsfonds of een depositogarantiefonds dat kan worden aangemerkt als een ‘publiekrechtelijk lichaam’ in de zin van artikel 123, lid 1, van het Verdrag, is niet verenigbaar met het verbod op monetaire financiering. Een ‘publiekrechtelijk lichaam’ heeft alle van de volgende kenmerken: a) het is opgericht met het specifieke doel te voorzien in andere behoeften van algemeen belang dan die van industriële of commerciële aard; b) het heeft rechtspersoonlijkheid, en c) het is nauw afhankelijk van de in artikel 123, lid 1, van het Verdrag genoemde publiekrechtelijke lichamen. Er wordt uitgegaan van een nauwe afhankelijkheid van deze publiekrechtelijke lichamen wanneer een instelling grotendeels door deze publiekrechtelijke lichamen wordt gefinancierd, of onderworpen is aan toezicht op het beheer door publiekrechtelijke lichamen, of een bestuurs-, leidinggevend of toezichthoudend orgaan heeft waarvan meer dan de helft van de leden door publiekrechtelijke lichamen wordt benoemd.[104]
Zelfs indien de financiering niet wordt verstrekt aan een ‘publiekrechtelijk lichaam’ is de financiering van een afwikkelingsfonds of financiële regeling niet in overeenstemming met het verbod op monetaire financiering.[105] Indien een NCB als afwikkelingsautoriteit optreedt, moet zij in geen geval enige verplichting van hetzij een bruginstelling of een vehikel voor activabeheer voor haar rekening nemen of financieren.[106] Daartoe moet in de nationale wetgeving worden verduidelijkt dat de NCB geen verplichtingen van deze entiteiten voor haar rekening zal nemen, noch dat de NCB die zal financieren.[107]
De richtlijn depositogarantiestelsels[108] en de richtlijn beleggerscompensatiestelsels[109] bepalen dat kredietinstellingen, respectievelijk de beleggingsondernemingen de financieringskosten van depositogarantiestelsels en beleggerscompensatiestelsels zelf moeten dragen. Met uitzondering van de financiering van een ‘publiekrechtelijk lichaam’ zou nationale wetgeving die voorziet in de financiering door een NCB van een nationaal depositoverzekeringsstelsel voor kredietinstellingen of een nationaal beleggerscompensatiestelsel voor beleggingsondernemingen alleen verenigbaar zijn met het verbod op monetaire financiering indien het op korte termijn zou gaan om dringende situaties, systeemstabiliteitsaspecten in het geding zouden zijn en besluiten werden genomen naar goeddunken van de NCB.[110] Met name mag de steun van een NCB voor depositogarantiestelsels niet neerkomen op het systematisch voorschieten van middelen.[111]
Functie van fiscaal agent
Artikel 21.2 van de ESCB-statuten bepaalt dat ‘de ECB en de NCB’s mogen optreden als fiscaal agent’ voor de ‘instellingen, organen of instanties van de Unie, centrale overheden, regionale, lokale of andere overheden, overheidsinstanties, andere publiekrechtelijke lichamen of openbare bedrijven van de lidstaten.’ Het doel van artikel 21, lid 2, van de statuten van het ESCB is om, na de overdracht van de bevoegdheid inzake het monetair beleid aan het Eurosysteem, te verduidelijken dat de NCB’s de diensten als fiscaal agent die zij van oudsher aan overheden en andere overheidsinstanties verlenen, mogen blijven verlenen zonder in strijd te handelen met het verbod op monetaire financiering. Verordening (EG) nr. 3603/93 bevat bovendien een aantal expliciete en eng geformuleerde uitzonderingen op het verbod op monetaire financiering in verband met de functie van fiscaal agent, te weten: a) intraday-kredieten aan de overheidssector zijn toegestaan wanneer deze beperkt blijven tot de dag zelf en geen verlenging mogelijk is;[112] b) creditering van de rekening van de overheid met door derden uitgegeven cheques vóór de debitering van de debiterende bank is toegestaan indien sinds de ontvangst van de cheque een vaste termijn is verstreken die overeenkomt met de normale termijn voor het incasseren van cheques door de betrokken NCB, mits de eventuele float een klein bedrag betreft en op korte termijn ongedaan wordt gemaakt,[113] en c) het aanhouden van door de overheidssector uitgegeven munten die op het credit van de overheidssector zijn geboekt, is toegestaan wanneer het bedrag van deze tegoeden minder 10% van de in omloop zijnde munten bedraagt.[114]
Nationale wetgeving betreffende de functie van fiscaal agent moet in het algemeen in overeenstemming zijn met het Unierecht, en met name met het verbod op monetaire financiering.[115] Gelet op de expliciete erkenning in artikel 21.2 van de ESCB-statuten van fiscale agentuurdiensten, hetgeen een legitieme taak is die van oudsher door de NCB’s wordt uitgeoefend, zouden fiscale agentuurdiensten door de NCB’s voldoen aan het verbod op monetaire financiering, mits die diensten beperkt blijven tot dienstverlening als fiscaal agent en niet neerkomen op financiering door de NCB van overheidsverplichtingen ten aanzien van derden of het crediteren door een centrale bank van de overheidssector buiten de eng gedefinieerde uitzonderingen in Verordening (EG) nr. 3603/93 om.[116] Nationale wetgeving die toestaat dat een NCB overheidsdeposito’s aanhoudt en overheidsrekeningen beheert, is verenigbaar met het verbod op monetaire financiering, voor zover dergelijke bepalingen kredietverlening, met inbegrip van overnight-voorschotten in rekening-courant, niet toestaan. Er zou echter bezorgdheid kunnen bestaan over de naleving van het verbod op monetaire financiering, indien de nationale wetgeving bijvoorbeeld de rentevergoeding van deposito’s of tegoeden op de lopende rekening boven of onder de marktrente mogelijk zou maken. Een rentevergoeding die hoger is dan de marktrente, vormt de facto een krediet dat in strijd is met de doelstelling van het verbod op monetaire financiering, en kan derhalve die doelstelling ondermijnen. Het is essentieel dat een rentevergoeding op een rekening op marktparameters is gebaseerd en het is met name van belang dat de depositorente en de depositolooptijd correleren.[117] Bovendien geeft de verstrekking om niet door een NCB van fiscale agentuurdiensten geen aanleiding tot bezorgdheid over monetaire financiering, op voorwaarde dat het fiscale kernagentuurdiensten betreft.[118]
2.2.5.2 Verbod op bevoorrechte toegang
Artikel 124 van het Verdrag bepaalt dat ‘niet op overwegingen van bedrijfseconomisch toezicht gebaseerde maatregelen waardoor instellingen, organen of instanties van de Unie, centrale overheden, regionale, lokale of andere overheden, andere publiekrechtelijke lichamen of openbare bedrijven van de lidstaten een bevoorrechte toegang tot de financiële instellingen krijgen, zijn verboden.’ Evenals het verbod op monetaire financiering beoogt het verbod op bevoorrechte toegang de lidstaten aan te moedigen een gezond begrotingsbeleid te voeren, waarbij (monetaire financiering van overheidstekorten of) bevoorrechte toegang van de overheid tot de financiële markten niet mag leiden tot buitensporig hoge schuldniveaus of buitensporige tekorten van de lidstaten.[119]
Uit hoofde van artikel 1, lid 1, van Verordening (EG) nr. 3604/93[120] van de Raad wordt onder bevoorrechte toegang verstaan alle wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen of alle bindende rechtshandelingen die in het kader van de uitoefening van het openbaar gezag tot stand komen en die: a) financiële instellingen verplichten vorderingen op instellingen of organen van de Unie, centrale overheden, regionale, lokale of andere overheden, andere publiekrechtelijke lichamen of openbare bedrijven van de lidstaten, te verwerven of aan te houden of, b) fiscale voordelen toekennen die uitsluitend ten goede kunnen komen aan financiële instellingen, dan wel financiële voordelen toekennen die niet in overeenstemming zijn met de beginselen van een markteconomie, teneinde het verwerven of aanhouden van dergelijke vorderingen door deze instellingen te bevorderen.
Als publiekrechtelijke lichamen mogen de NCB’s geen maatregelen nemen krachtens welke de overheidssector bevoorrechte toegang verleent tot financiële instellingen, indien dergelijke maatregelen niet stoelen op overwegingen van bedrijfseconomisch toezicht. Voorts mogen de door de NCB’s vastgelegde regels inzake de mobilisatie of belening van schuldbewijzen niet worden gebruikt om het verbod op bevoorrechte toegang te omzeilen.[121] De wetgeving van de lidstaten ter zake mag een dergelijke bevoorrechte toegang niet vastleggen.
In artikel 2 van Verordening (EG) nr. 3604/93 wordt onder ‘overwegingen van bedrijfseconomisch toezicht’ verstaan: overwegingen die ten grondslag liggen aan nationale wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen of nationale bestuursmaatregelen die gebaseerd zijn op of verenigbaar zijn met het recht van de Unie en die beogen de soliditeit van de financiële instellingen te bevorderen, teneinde de stabiliteit van het financiële stelsel in zijn geheel en de bescherming van de cliënten van deze instellingen te versterken. Overwegingen van bedrijfseconomisch toezicht beogen te waarborgen dat banken solvent blijven ten opzichte van hun depositohouders.[122] Op het gebied van bedrijfseconomisch toezicht heeft het secundaire recht van de Unie een aantal vereisten vastgelegd om de soliditeit van kredietinstellingen te waarborgen.[123] Een ‘kredietinstelling’ is gedefinieerd als een onderneming waarvan de werkzaamheden bestaan in het van het publiek in ontvangst nemen van deposito’s of van andere terugbetaalbare gelden en het verlenen van kredieten voor eigen rekening.[124] Daarnaast worden kredietinstellingen normaliter als ‘banken’ aangeduid en hebben een vergunning nodig van een bevoegde autoriteit uit hun lidstaat om diensten te kunnen verlenen.[125]
Hoewel minimumreserves kunnen worden beschouwd worden als onderdeel van de bedrijfseconomische vereisten, zijn zij normaliter onderdeel van het operationele kader van een NCB en worden in de meeste economieën, waaronder het eurogebied, als een monetairbeleidsinstrument gehanteerd.[126] Dienaangaande vermeldt punt 2 van bijlage I bij Richtsnoer (EU) 2015/510 van de Europese Centrale Bank (ECB/2014/60)[127] dat het stelsel van minimumreserves van het Eurosysteem hoofdzakelijk dient om de geldmarktrente te stabiliseren en een structureel liquiditeitstekort te bewerkstelligen (of te vergroten).[128] De ECB verlangt dat in het eurogebied gevestigde kredietinstellingen de vereiste minimumreserves (in de vorm van deposito’s) in rekeningen bij hun NCB aanhouden.[129]
Dit verslag richt zich op de verenigbaarheid van zowel door de NCB’s vastgestelde nationale wetgeving of voorschriften en de statuten van NCB’s met het verbod op bevoorrechte toegang. Dit verslag laat echter de beoordeling onverlet of wetten, regelingen of administratieve rechtshandelingen in lidstaten onder het voorwendsel van overwegingen van bedrijfseconomisch toezicht worden aangewend om het verbod op bevoorrechte toegang te omzeilen. Een dergelijke beoordeling valt buiten het bestek van dit verslag.
2.2.6 Uniforme spelling van de euro
Op grond van artikel 3, lid 4, van het Verdrag betreffende de Europese Unie stelt de Unie ‘een economische en monetaire unie in die de euro als munt heeft.’ In de verdragsteksten in alle geschreven authentieke talen die het Romeinse alfabet hanteren, wordt de euro steeds in het nominatief enkelvoud aangeduid als ‘euro’. In de tekst van het Griekse alfabet wordt de euro als ‘ευρώ’ gespeld en in de tekst van het Cyrillische alfabet wordt de euro als ‘евро’ gespeld.[130] In overeenstemming hiermee wordt in Verordening (EG) nr. 974/98 van 3 mei 1998 van de Raad over de invoering van de euro verduidelijkt dat de naam van de eenheidsmunt dezelfde moet zijn in alle officiële talen van de Unie, rekening houdende met het bestaan van verschillende alfabetten. De verdragen vereisen derhalve een uniforme spelling van het woord ‘euro’ in nominatief enkelvoud in alle wettelijke bepalingen van de Unie en van de lidstaten, rekening houdende met het bestaan van verschillende alfabetten.
Gezien de exclusieve bevoegdheid van de Unie om de naam van de eenheidsmunt vast te stellen, zijn afwijkingen van deze regel onverenigbaar met de verdragen en moeten zij worden geschrapt.[131] Terwijl dit beginsel van toepassing is op alle nationale wetgeving, richt de beoordeling in de landenhoofdstukken zich op de statuten van NCB’s en de wetten inzake de omschakeling naar de euro.
2.2.7 Juridische integratie van NCB’s in het Eurosysteem
Bepalingen in nationale wetgeving (met name in statuten van NCB’s, maar ook in andere wetgeving) die de uitvoering van taken in het kader van het Eurosysteem of de naleving van ECB-besluiten de weg staan, zijn onverenigbaar met de effectieve werking van het Eurosysteem zodra de desbetreffende lidstaat de euro heeft aangenomen. Derhalve moet de nationale wetgeving worden aangepast, teneinde verenigbaarheid met het Verdrag en de ESCB-statuten met betrekking tot taken in het kader van het Eurosysteem te waarborgen. Om aan artikel 131 van het Verdrag te voldoen, moest nationale wetgeving worden aangepast om de verenigbaarheid ervan op de datum van oprichting van het ESCB (ten aanzien van Zweden) en op 1 mei 2004, 1 januari 2007 en 1 juli 2013 (ten aanzien van de lidstaten die op die datums tot de EU zijn toegetreden) te waarborgen. Wettelijke bepalingen betreffende de volledige integratie van een NCB in het Eurosysteem behoeven niettemin pas in werking te treden op het tijdstip waarop de volledige integratie ingaat, d.w.z. op de datum waarop een lidstaat met een derogatie de euro aanneemt.
De belangrijkste aandachtspunten in dit verslag zijn wettelijke bepalingen die verhinderen dat NCB’s voldoen aan de vereisten van het Eurosysteem. Het gaat onder meer om bepalingen: a) die de NCB beletten deel te nemen aan de uitvoering van het gemeenschappelijke monetaire beleid, zoals bepaald door de besluitvormende organen van de ECB, of b) die een president zouden kunnen belemmeren taken als lid van de Raad van bestuur van de ECB uit te oefenen, of c) die de prerogatieven van de ECB niet eerbiedigen, of d) die niet erkennen dat de exclusieve bevoegdheid voor taken in het kader van het ESCB in lidstaten die de euro als munt hebben aangenomen, onherroepelijk aan de Unie wordt toegekend,[132] of e) op grond waarvan NCB’s bij de uitvoering van hun taken in het kader van het ESCB gebonden zijn aan besluiten van nationale autoriteiten die strijdig zijn met de rechtshandelingen van de ECB. Onderscheid wordt gemaakt tussen doelstellingen van economisch beleid, taken, financiële bepalingen, wisselkoersbeleid en internationale samenwerking. Ten slotte wordt nog melding gemaakt van andere terreinen waarop de statuten van een NCB mogelijk aanpassing behoeven.
2.2.7.1 Doelstellingen van economisch beleid
De volledige integratie van een NCB in het Eurosysteem vereist dat haar statutaire doelstellingen verenigbaar zijn met de ESCB-doelstellingen, zoals vastgelegd in artikel 2 van de ESCB-statuten. Dat betekent onder meer dat ‘nationaal getinte’ statutaire doelstellingen – bijvoorbeeld, indien statutaire bepalingen verwijzen naar het voeren van monetair beleid binnen het kader van het algemene economische beleid van de betrokken lidstaat – moeten worden aangepast. Voorts dienen de secundaire doelstellingen van een NCB te stroken met het algemene economische beleid in de EU en dat beleid niet te belemmeren om bij te dragen aan de verwezenlijking van de doelstellingen van de EU zoals vastgelegd in artikel 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, wat op zich een expliciete doelstelling is die geen afbreuk doet aan het behoud van prijsstabiliteit.[133]
2.2.7.2 Taken
De taken van een NCB van een lidstaat die de euro heeft aangenomen, worden overwegend bepaald door het Verdrag en de ESCB-statuten, gezien de hoedanigheid van de NCB als integrerend onderdeel van het Eurosysteem. Om te voldoen aan artikel 131 van het Verdrag moeten bepalingen in de statuten van een NCB betreffende de taken derhalve vergeleken worden met de relevante bepalingen van het Verdrag en de ESCB-statuten en moeten onverenigbaarheden worden weggenomen.[134] Dit geldt voor elke bepaling die na de aanneming van de euro en de integratie in het Eurosysteem een belemmering vormt voor de uitvoering van de taken in het kader van het ESCB en met name voor bepalingen die de ESCB-bevoegdheden uit hoofde van Hoofdstuk IV van de ESCB-statuten niet respecteren.
Nationale bepalingen betreffende het monetaire beleid moeten bevestigen dat het monetair beleid van de Unie een taak is die het Eurosysteem moet uitvoeren.[135] De statuten van NCB’s mogen bepalingen inzake monetairbeleidsinstrumenten bevatten. Om aan artikel 131 van het Verdrag te voldoen, moeten dergelijke bepalingen verenigbaar zijn met de relevante bepalingen in het Verdrag en de ESCB-statuten, en eventuele onverenigbaarheden moeten worden weggenomen.
Het monitoren van de budgettaire ontwikkelingen is een taak die een NCB regelmatig uitvoert om de monetairbeleidskoers goed te kunnen beoordelen. De NCB’s kunnen op basis van hun toezichtactiviteiten en de onafhankelijkheid van hun advies ook hun standpunten over relevante begrotingsontwikkelingen naar voren brengen, teneinde bij te dragen aan de goede werking van de Europese Monetaire Unie. Het monitoren van de budgettaire ontwikkelingen door een NCB voor monetairbeleidsdoeleinden moet gebaseerd zijn op de volledige toegang tot alle betrokken gegevens inzake overheidsfinanciën. Dienovereenkomstig moeten de NCB’s onvoorwaardelijke, tijdige en automatische toegang krijgen tot alle betrokken statistieken inzake overheidsfinanciën. De rol van een NCB dient echter niet verder te gaan dan het bewaken van activiteiten die voortvloeien uit, dan wel — direct of indirect — verband houden met de uitvoering van haar monetairbeleidsmandaat.[136] Een formeel mandaat voor een NCB om prognoses en begrotingsontwikkelingen te beoordelen houdt een functie voor de NCB (en een overeenkomstige verantwoordelijkheid) in voor budgettaire beleidsvorming, hetgeen de uitvoering van het monetaire-beleidsmandaat van het Eurosysteem en de onafhankelijkheid van de NCB kan ondermijnen.[137]
In de context van nationale wetgevingsinitiatieven om de onrust op de financiële markten aan te pakken, heeft de ECB benadrukt dat verstoringen in de nationale segmenten van de geldmarkt van het eurogebied vermeden moeten worden, omdat dit de uitvoering van het gemeenschappelijke monetaire beleid kan schaden. Dit geldt met name wanneer overheidsgaranties ook op interbancaire deposito’s van toepassing zijn.[138]
De lidstaten moeten waarborgen dat nationale wettelijke maatregelen ter adressering van liquiditeitsproblemen van ondernemingen of professionals, bijvoorbeeld hun schulden aan financiële instellingen, geen negatieve gevolgen hebben voor de marktliquiditeit. Met name dienen dergelijke maatregelen te stroken met het in artikel 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie vastgelegde openmarkteconomie beginsel, aangezien zulks anders kredietstromen zou kunnen hinderen, de stabiliteit van financiële instellingen en markten sterk zou kunnen beïnvloeden en daardoor de uitvoering van Eurosysteemtaken zou kunnen schaden[139].
Nationale wettelijke bepalingen die de NCB het alleenrecht voor de uitgifte van bankbiljetten verlenen, moeten bij de aanneming van de euro het alleenrecht van de Raad van bestuur van de ECB erkennen om machtiging te geven tot uitgifte van eurobankbiljetten krachtens artikel 128, lid 1, van het Verdrag en artikel 16 van de ESCB-statuten,[140] terwijl het recht voor de uitgifte van eurobankbiljetten berust bij de ECB en de NCB’s. Zodra een lidstaat de euro heeft aangenomen, moeten nationale wettelijke bepalingen die overheden in staat stellen invloed uit te oefenen op aangelegenheden als denominaties, productie, hoeveelheid en het uit circulatie nemen van eurobankbiljetten worden ingetrokken, of moeten de bepalingen de het Verdrag en de ESCB-statuten vastgelegde bevoegdheden van de ECB met betrekking tot de eurobankbiljetten worden erkend. Ongeacht de verdeling van verantwoordelijkheden in verband met muntstukken tussen de regering en de NCB, dienen de desbetreffende bepalingen na de aanneming van de euro te erkennen dat de omvang van de uitgifte van euromuntstukken de goedkeuring van de ECB behoeft. Een lidstaat mag valuta in omloop niet beschouwen als een schuld van de NCB aan de regering van die lidstaat, aangezien zulks niet zou stroken met het concept van een eenheidsmunt en niet verenigbaar zou zijn met de vereisten van de juridische integratie van het Eurosysteem.[141]
Voor wat betreft het beheer van de externe reserves[142] schenden lidstaten die de euro hebben aangenomen en die hun officiële externe reserves[143] niet aan hun NCB overdragen, het Verdrag. De ESCB-taak van het aanhouden en beheren van externe reserves omvat alle maatregelen die nodig zijn voor de effectieve uitvoering van het mandaat van het Eurosysteem. Voor het vervullen van hun functie in het beheer van externe reserves is bijvoorbeeld het aspect van volledige effectieve controle door de centrale bank van essentieel belang. Dit houdt in dat de NCB’s volledig autonoom beslissingen kunnen nemen met betrekking tot het aanhouden, vervreemden, handelen in en het dagelijks, alsook op lange termijn, beheer van de externe reserves, onder meer door goud rechtstreeks, contant en op termijn te kopen en te verkopen en door middel van retrocessieovereenkomsten.[144] Daarnaast zijn rechten van derden – bijvoorbeeld de regering of het parlement – om besluiten van een NCB met betrekking tot het beheer van de officiële externe reserves te beïnvloeden niet in overeenstemming met artikel 127, lid 2, derde streepje, van het Verdrag. Voorts moeten de NCB’s de ECB met externe reserves doteren naar rato van hun aandeel in het geplaatste kapitaal van de ECB. Dit houdt in dat er geen wettelijke belemmeringen mogen bestaan voor de overdracht van externe reserves door de NCB’s aan de ECB.
Hoewel de verordeningen die werden vastgesteld uit hoofde van artikel 34.1 van de ESCB-statuten op het gebied van statistieken geen rechten verlenen of verplichtingen opleggen aan lidstaten die niet de euro als munt hebben aangenomen, is artikel 5 van de ESCB-statuten betreffende het verzamelen van statistische gegevens van toepassing op alle lidstaten, ongeacht of zij de euro al of niet hebben aangenomen. Dienovereenkomstig zijn lidstaten die de euro niet als munt hebben verplicht op nationaal niveau alle maatregelen uit te werken en uit te voeren die zij passend achten voor het verzamelen van de statistische gegevens die nodig zijn om aan de statistische rapportagevereisten van de ECB[145] te voldoen, en tijdig voorbereidingen te treffen op het gebied van statistieken, zodat zij lidstaten kunnen worden die de euro als munt hebben.[146] Nationale wetgeving die het kader vastlegt voor samenwerking tussen de NCB’s en nationale bureaus voor de statistiek moeten de onafhankelijkheid van de NCB bij de uitvoering van hun taken binnen het statistische kader van het ESCB waarborgen.[147]
2.2.7.3 Financiële bepalingen
De financiële bepalingen in de ESCB-statuten omvatten regels betreffende financiële rekeningen,[148] accountantscontrole,[149] inschrijvingen op het kapitaal,[150] de overdracht van externe reserves[151] en de toedeling van monetaire inkomsten.[152] De NCB’s moeten in staat zijn aan hun verplichtingen uit hoofde van deze bepalingen te voldoen en derhalve moeten eventuele onverenigbare nationale bepalingen worden ingetrokken.[153]
2.2.7.4 Wisselkoersbeleid
Een lidstaat met een derogatie g nationale wetgeving handhaven waarin is bepaald dat de regering verantwoordelijk is voor het wisselkoersbeleid van die lidstaat, waarbij aan de NCB een adviserende en/of uitvoerende rol wordt toegekend. Wanneer een lidstaat de euro aanneemt, moet deze wetgeving weergeven dat de verantwoordelijkheid voor het wisselkoersbeleid van het eurogebied overeenkomstig artikel 138 en 219 van het Verdrag op het niveau van de Unie ligt.
2.2.7.5 Internationale samenwerking
Voor de aanneming van de euro moet de nationale wetgeving verenigbaar zijn met artikel 6.1 van de ESCB-statuten, waarin wordt bepaald dat op het terrein van de internationale samenwerking met betrekking tot de aan het Eurosysteem opgedragen taken de ECB besluit hoe het ESCB wordt vertegenwoordigd. Nationale wetgeving die een NCB toestaat deel te nemen aan internationale monetaire instellingen, moet een dergelijke deelname afhankelijk stellen van de goedkeuring van de ECB (artikel 6.2 van de ESCB-statuten).
2.2.7.6 Diversen
Naast de bovenvermelde kwesties kunnen er voor bepaalde lidstaten andere gebieden zijn waarop de nationale bepalingen aanpassing behoeven (bijvoorbeeld op het terrein van verrekenings- en betalingssystemen en de uitwisseling van informatie).
3 Economische convergentie: de stand van zaken
Dit hoofdstuk biedt een horizontaal overzicht. Bepaalde factoren die relevant zijn voor de algehele beoordeling komen niet hier aan bod, maar in hoofdstuk 4, en in hoofdstuk 5 van de integrale Engelstalige versie van dit convergentieverslag.
De vooruitgang met betrekking tot de convergentiecriteria is sinds het convergentieverslag van de ECB uit 2024 afgeremd door externe schokken. In drie van de vijf onderzochte landen blijft de HICP-inflatie boven de referentiewaarde, en in een van die landen ligt de HICP-inflatie aanzienlijk boven die drempelwaarde (tabel 3.1). Sinds het convergentieverslag uit 2024 zijn de overheidsfinanciën in de meeste landen verslechterd, waarbij de schuldquotes in sommige gevallen aanzienlijk zijn gestegen. Sinds dat verslag is het aantal landen dat onderworpen is aan een buitensporigtekortprocedure (BTP) gestegen van één naar drie, en naar verwachting zal geen van die landen het tekort tegen eind 2027 terugdringen tot onder de referentiewaarde van 3% bbp. De valuta’s van alle in dit verslag onderzochte landen blijven buiten het wisselkoersmechanisme (ERM II) en sommige landen hebben de afgelopen jaren aanzienlijke schommelingen ten opzichte van de euro laten zien. Sinds juni 2024 is het verschil bij lange rentes ten opzichte van het eurogebied in twee landen licht toegenomen en in drie landen gedaald. Sinds mei 2026 ligt het twaalfmaands gemiddelde van de lange rente in drie landen boven de referentiewaarde en in de andere twee eronder. Een belangrijke factor die de economische convergentie in de weg staat, is de economische impact van externe schokken, waaronder de oorlog van Rusland tegen Oekraïne, wereldwijde handelsspanningen en de uitbraak van de oorlog in het Midden-Oosten.
Tabel 3.1
Overzichtstabel van de economische convergentie-indicatoren
Prijs‑ | Ontwikkeling en projecties overheidsbegroting | Wisselkoers | |||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|
HICP-inflatie1) | Land met buitensporig tekort2) 3) | Overschot (+) | Overheids‑ | Valuta | Wisselkoers ten opzichte van de euro5) | Lange rente6) | |
Tsjechië |
|
|
|
|
|
|
|
2024 | 2,7 | Nee | -2,0 | 43,3 | Nee | -4,6 | 4,0 |
2025 | 2,3 | Nee | -2,1 | 44,3 | Nee | 1,7 | 4,3 |
2026 | 1,9 | Nee | -2,8 | 45,8 | Nee | 1,5 | 4,5 |
Hongarije |
|
|
|
|
|
|
|
2024 | 3,7 | Ja | -5,1 | 73,5 | Nee | -3,5 | 6,5 |
2025 | 4,4 | Ja | -4,7 | 74,6 | Nee | -0,6 | 6,9 |
2026 | 3,3 | Ja | -6,2 | 75,1 | Nee | 6,1 | 6,7 |
Polen |
|
|
|
|
|
|
|
2024 | 3,7 | Ja | -6,4 | 54,8 | Nee | 5,2 | 5,5 |
2025 | 3,3 | Ja | -7,3 | 59,7 | Nee | 1,5 | 5,5 |
2026 | 2,9 | Ja | -6,5 | 64,5 | Nee | 0,0 | 5,4 |
Roemenië |
|
|
|
|
|
|
|
2024 | 5,8 | Ja | -9,3 | 54,8 | Nee | -0,6 | 6,3 |
2025 | 6,8 | Ja | -7,9 | 59,3 | Nee | -1,4 | 6,9 |
2026 | 8,4 | Ja | -6,2 | 61,6 | Nee | -1,8 | 6,7 |
Zweden |
|
|
|
|
|
|
|
2024 | 2,0 | Nee | -1,5 | 34,2 | Nee | 0,4 | 2,2 |
2025 | 2,6 | Nee | -1,3 | 35,1 | Nee | 3,2 | 2,5 |
2026 | 2,2 | Nee | -2,8 | 36,6 | Nee | 2,7 | 2,6 |
Referentie‑ | 2,7 | -3,0 | 60,0 | 5,1 | |||
Bronnen: Europese Commissie (Eurostat, Directoraat-Generaal voor Economische en Financiële Zaken) en het Europees Stelsel van centrale banken.
1) Gemiddelde mutatie in procenten per jaar. De gegevens over 2026 hebben betrekking op de periode van juni 2025 tot en met mei 2026.
2) Heeft betrekking op de vraag of een land gedurende ten minste een deel van het jaar onderworpen was aan een EU-Raadsbesluit betreffende het bestaan van een buitensporig tekort.
3) De informatie over 2026 heeft betrekking op de periode tot en met de afsluitingsdatum voor statistieken (17 juni 2026).
4) Als percentage bbp. De gegevens over 2026 zijn overgenomen uit de economische voorjaarsprognose 2026 van de Europese Commissie.
5) Verandering op jaarbasis in procenten. Een positief (negatief) cijfer duidt op een appreciatie (depreciatie) ten opzichte van de euro. De gegevens over 2026 hebben betrekking op de periode van 1 januari 2026 tot en met 17 juni 2026.
6) Gemiddelde rente op jaarbasis. De gegevens over 2026 hebben betrekking op de periode van juni 2025 tot en met mei 2026.
7) De referentiewaarden voor de HICP-inflatie en de lange rente hebben betrekking op de periode van juni 2025 tot en met mei 2026; voor het overheidssaldo en de overheidsschuld worden de referentiewaarden gedefinieerd in artikel 126, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en in het daarmee verband houdende Protocol (Nr. 12) betreffende de procedure bij buitensporige tekorten.
De afgelopen twee jaar bleven de economieën van de onderzochte landen blootgesteld aan verhoogde geopolitieke spanningen en toenemende mondiale handelsonzekerheid en fragmentatie. De oorlogen in Oekraïne en het Midden-Oosten, in combinatie met de toegenomen geopolitieke spanningen in het algemeen, hebben de economische bedrijvigheid gedrukt door toegenomen onzekerheid, verstoringen van de handel en toeleveringsketens, en een zwakker vertrouwen van ondernemers en consumenten. Daarnaast hebben hernieuwde handelsspanningen en opgelegde tarieven op mondiaal niveau bijgedragen aan een ongunstig extern klimaat. Hoewel de directe handelsblootstellingen van de onderzochte landen aan de Verenigde Staten relatief beperkt zijn, kunnen de indirecte effecten via mondiale waardeketens de handelsschokken versterken en een uitwerking hebben in aanverwante industriële sectoren en diensten. Meer recentelijk heeft de oorlog in het Midden-Oosten vooral invloed gehad op de inflatieconvergentie, aangezien sommige onderzochte landen gevoeliger zijn voor energieprijsschokken dan het eurogebied. De oorlog heeft de wereldwijde onzekerheid vergroot en geleid tot scherpe stijgingen van de energieprijzen, waaronder pieken in de olie- en gasprijzen en verhoogde risico’s voor belangrijke mondiale scheepvaartroutes. Dit heeft in de meeste onderzochte landen geleid tot een onderbreking van de gestage daling van de inflatie. Hoewel de gevoeligheid en directe blootstelling aan energieschokken in de loop van de tijd zijn afgenomen en momenteel lager zijn dan in 2022, zullen de gevolgen op middellange termijn afhangen van de intensiteit en de duur van het conflict en van de wijze waarop de energieprijzen doorwerken in de consumentenprijzen en de economische bedrijvigheid in de afzonderlijke landen.
Ondanks deze externe uitdagingen is de economische bedrijvigheid in de onderzochte landen tot dusver veerkrachtig gebleken. Naarmate de inflatoire druk in 2024 en 2025 in de meeste landen afnam, ondersteund door een krapper monetair beleid en de eerdere normalisering van de energieprijzen, herstelden de reële besteedbare inkomens zich geleidelijk, wat de binnenlandse vraag ondersteunde. Niettemin bleef de groeidynamiek van land tot land een wisselend beeld zien. De economische bedrijvigheid in Hongarije en Roemenië was in 2024 en 2025 zwak. In Hongarije drukten de gematigde netto-uitvoer en -investeringen de groei tegen de achtergrond van een zwakke buitenlandse vraag in de belangrijkste exportgerichte sectoren van het land en onzekerheid in verband met de opname van EU-middelen en het ondernemingsklimaat. In Roemenië droegen de netto-uitvoer en investeringen in 2024 negatief bij aan de groei. In 2025 temperden de budgettaire consolidatiemaatregelen de particuliere consumptie in Roemenië, terwijl de investeringen toenamen en de negatieve bijdrage van de netto-uitvoer afnam. De sterkere inflatiedruk in deze twee landen heeft de stijging van het reële inkomen beperkt en bijgedragen tot krappere financieringsvoorwaarden. Daarentegen overtrof de productiegroei in Polen die in de meeste andere EU-landen, dankzij een sterke binnenlandse vraag en krachtige investeringen, hoewel dit gepaard ging met een toenemend begrotingstekort.
De economische vooruitzichten voor de onderzochte landen worden vertroebeld door de verhoogde geopolitieke spanningen. Hoewel de binnenlandse vraag naar verwachting de belangrijkste aanjager van groei zal blijven in 2026 en 2027, ondersteund door de nog steeds veerkrachtige arbeidsmarkten, heeft de oorlog in het Midden-Oosten bijgedragen tot een grotere volatiliteit op de mondiale energiemarkten en stijgende energiekosten. De effecten daarvan op de inflatie en het economisch sentiment, die de economische bedrijvigheid kunnen drukken, zijn reeds zichtbaar. In het huidige klimaat blijven de groeivooruitzichten onderhevig aan aanzienlijke onzekerheid en neerwaartse risico’s. Verdere geopolitieke en handelsspanningen kunnen de fragmentatietrends versterken, met name gezien de hoge mate van openheid en integratie van deze economieën in de mondiale waardeketens, waardoor handels- en investeringsstromen kunnen worden verstoord en de risicopremies kunnen toenemen. De vooruitzichten worden verder vertroebeld door eerdere verliezen aan concurrentievermogen op prijsgebied in verschillende landen en in sommige gevallen de onzekerheid omtrent het tempo en de samenstelling van de begrotingsconsolidatie.
De onderzochte Midden- en Oost-Europese landen hebben de afgelopen decennia duidelijke vooruitgang geboekt met de reële convergentie naar het gemiddelde van het eurogebied, maar de structurele tegenwind is de afgelopen jaren toegenomen. Sinds 1999 hebben deze landen de kloof met het gemiddelde van het eurogebied in termen van reëel bbp per hoofd van de bevolking aanzienlijk verkleind (grafiek 3.1). Sinds 2019 is het tempo van de reële convergentie in de meeste landen echter vertraagd als gevolg van de aanhoudende effecten van opeenvolgende schokken en structurele beperkingen op de productiviteit en het arbeidsaanbod. Tegelijkertijd bestaan er nog steeds aanzienlijke macro-economische en financiële kwetsbaarheden, al varieert de mate van kwetsbaarheid per land. Indien dergelijke kwetsbaarheden niet adequaat worden aangepakt, kunnen ze het effect van externe schokken versterken en zowel het groeipotentieel als de duurzaamheid van de convergentie op langere termijn drukken. De belangrijkste uitdagingen voor duurzame reële convergentie zijn momenteel onder andere: i) de toegenomen mondiale onzekerheid, waaronder geopolitieke spanningen, toenemende handelsfragmentatie en verschuivingen in mondiale waardeketens, die de handels- en investeringspatronen kunnen veranderen, de concurrentiedruk in de Europese industrieën kunnen vergroten en de kwetsbaarheden in verband met de afhankelijkheid van kritieke inputs kunnen vergroten; ii) de voortdurende aanpassingen van industriële structuren, met name in de context van de groene en de digitale transities, die bijzondere uitdagingen met zich meebrengen voor landen die overstappen van een gemiddeld- naar hoog inkomensniveau, vooral in landen met een relatief grote afhankelijkheid van koolstofintensieve energiebronnen; iii) aanhoudende tekorten aan arbeidskrachten, discrepanties tussen gevraagde en aangeboden vaardigheden en ongunstige demografische ontwikkelingen, die de potentiële groei beperken; iv) beperkte vooruitgang bij het verbeteren van het bestuur, de institutionele capaciteit en het ondernemingsklimaat, die van cruciaal belang zijn om de productiviteitsgroei op lange termijn te versterken en de weerbaarheid tegen toekomstige schokken te versterken; en v) budgettaire kwetsbaarheden, waaronder sterke uitgavendruk om onder meer de gevolgen van geopolitieke spanningen, de vergrijzing van samenlevingen, klimaatrisico’s en de groene transitie aan te pakken, alsook de stijgende overheidsschuld.
Grafiek 3.1
Reëel bbp per hoofd van de bevolking
a) Ten opzichte van het gemiddelde voor het eurogebied | b) Verandering ten opzichte van het gemiddelde van het eurogebied sinds 1999 |
|---|---|
(index: eurogebied = 100) | (index: eurogebied = 100, x-as: niveau in 1999; y-as: verandering in niveau, procentpunten, 1999-2025) |
![]() | ![]() |
Bronnen: Europese Commissie (Directoraat-Generaal Economische en Financiële Zaken) en berekeningen van de ECB.
Toelichting: Op basis van het reële bbp per hoofd van de bevolking in termen van de koopkrachtstandaard. In paneel b) geven de rode stippen de onderzochte landen weer (met label); de groene stippen zijn de landen die vanaf 2003 tot het eurogebied zijn toegetreden (zonder label); de lichtblauwe stippen zijn de landen die vóór 2003 tot het eurogebied waren toegetreden (zonder label) en de grijze stip staat voor Denemarken (dat een uitzondering kent). Ierland wordt buiten beschouwing gelaten omdat de bbp-cijfers sterk worden beïnvloed door multinationale activiteiten, wat de meting van de binnenlandse economische bedrijvigheid kan verstoren. Luxemburg wordt buiten beschouwing gelaten omdat het bbp per hoofd van de bevolking wordt vertekend door het grote aantal grensarbeiders. De grijze lijn toont het aangepaste lineaire verband.
Bij de beoordeling van de naleving van de convergentiecriteria blijft de duurzaamheid van de convergentie essentieel. Convergentie moet duurzaam zijn en gebaseerd op gezonde fundamentele economische factoren, in plaats van één incidentele gebeurtenis. Uit de ervaring sinds de start van de economische en monetaire unie is gebleken dat zwakke fundamentele factoren, een buitensporig ruime macro-economische koers, onvoldoende institutionele en statistische capaciteit en te optimistische verwachtingen ten aanzien van de reële-inkomensconvergentie kwetsbaarheden kunnen creëren – niet alleen voor de betrokken landen, maar ook voor het soepele functioneren van het eurogebied als geheel. Eerdere crises, waaronder de staatsschuldencrisis, de coronapandemie en de energieschok van 2022-2023, hebben verder aangetoond dat grote macro-economische onevenwichtigheden, een beperkte hervormingscapaciteit en een zwakke weerbaarheid tegen negatieve schokken het convergentieproces langdurig en duur kunnen maken. In het huidige klimaat van verhoogde geopolitieke spanningen en toegenomen economische fragmentatie zijn veerkracht en beleidsgeloofwaardigheid nog belangrijker geworden. Dat op één bepaald moment aan de rekenkundige convergentiecriteria wordt voldaan vormt daarom op zichzelf geen garantie voor een soepele deelname aan het eurogebied. Landen die op de euro willen overgaan, moeten aantonen dat de convergentie duurzaam is, dat hun macro-economisch beleid in overeenstemming is met een op stabiliteit gerichte deelname aan de monetaire unie, en dat hun instellingen voldoende robuust zijn om toekomstige schokken het hoofd te bieden. Dit is in de eerste plaats in het belang van elk land zelf, maar het is ook essentieel voor de effectieve transmissie van het monetair beleid en de stabiliteit van het eurogebied als geheel, aangezien het een monetaire unie blijft zonder een gecentraliseerde begrotingscapaciteit en met beperkte mechanismen voor permanente risicodeling.
Het bereiken van duurzame convergentie vereist blijvende beleidsaanpassingen en structurele convergentie. Belangrijke voorwaarden zijn onder meer macro-economische stabiliteit, een gezond en geloofwaardig begrotingsbeleid in overeenstemming met het EU-kader voor economische governance, en een gunstig ondernemingsklimaat dat wordt geschraagd door efficiënte economische structuren en sterke overheidsinstellingen. Een hoge mate van flexibiliteit op de product- en arbeidsmarkten is noodzakelijk om structurele aanpassingen te vergemakkelijken en macro-economische schokken op te vangen. Een op stabiliteit gericht beleidskader en stevig verankerde inflatieverwachtingen zijn cruciaal voor het handhaven van prijsstabiliteit en de ondersteuning van duurzame nominale convergentie. De effectieve werking van een open markteconomie met vrije mededinging bevordert de efficiënte allocatie van kapitaal en arbeid en ondersteunt daarmee de productiviteit en groei op langere termijn. Een hoge mate van economische integratie met het eurogebied ondersteunt de synchronisatie van de conjunctuurcyclus en een soepele deelname aan de monetaire unie. Tegelijkertijd is het belangrijk dat de economische structuren beter op elkaar worden afgestemd om ervoor te zorgen dat economieën in grote lijnen op gelijke wijze reageren op gemeenschappelijke schokken, waaronder die welke verband houden met verschillen in energieafhankelijkheid en productiestructuren, waardoor de soepele werking van de monetaire unie wordt ondersteund. Ook dienen er passend macroprudentieel beleid en toereikende toezichtskaders te zijn om te voorkomen dat er macro-economische en financiële onevenwichtigheden ontstaan, zoals buitensporige stijgingen van activaprijzen en maatschappelijk schadelijke boom-and-bustcycli in de kredietverlening. Waar macro-economische onevenwichtigheden zijn vastgesteld in het kader van de procedure voor macro-economische onevenwichtigheden van de Europese Commissie, blijft doortastend beleid essentieel. De doeltreffende opneming en het effectieve gebruik van EU-middelen, met inbegrip van de resterende middelen in het kader van het Next Generation EU-programma, kan de convergentie ondersteunen, op voorwaarde dat de investerings- en hervormingstoezeggingen tijdig en efficiënt worden uitgevoerd. Uiteindelijk blijven de kracht van het institutionele kader en het vermogen om gezond beleid te voeren van cruciaal belang voor duurzame economische integratie.
3.1 Het criterium prijsstabiliteit
De afgelopen tien jaar werd de inflatieontwikkeling in de onderzochte landen beïnvloed door een opeenvolging van grote en elkaar deels overlappende schokken. Na een periode van lage inflatie in de voorgaande jaren leidde de uitbraak van de pandemie in 2020 tot een forse krimp van de economische bedrijvigheid. Hoewel de inflatie in sommige landen aanvankelijk vertraagde, bleef deze in andere landen relatief hardnekkig, deels als gevolg van stijgende voedsel- en dienstenprijzen en aanhoudende krapte op de arbeidsmarkt. Vanaf 2021 is de inflatie in alle onderzochte landen aanzienlijk toegenomen als gevolg van scherpe stijgingen van de energieprijzen en onevenwichtigheden in vraag en aanbod (grafiek 3.2). Vanaf begin 2022 heeft de oorlog van Rusland tegen Oekraïne deze druk verder aangewakkerd. De inflatie in Midden- en Oost-Europa steeg sterker dan in het eurogebied, als gevolg van een hogere energie-intensiteit van de productie, een groter gewicht van energie en voedingsmiddelen in consumptiemandjes, een aanvankelijke afhankelijkheid van Russische energieleveringen en diepe integratie in de mondiale waardeketens, waardoor de transmissie van externe schokken werd versterkt. Ook de aanhoudende krapte op de arbeidsmarkt en de robuuste loongroei droegen bij aan de binnenlandse prijsdruk (grafiek 3.3, paneel a) (zie ook paragraaf 3.5). Om de sterke stijging van de inflatie tegen te gaan, begonnen de meeste centrale banken in 2021 de beleidsrente te verhogen, terwijl overheden tijdelijke begrotingsmaatregelen namen, voornamelijk in 2022 en 2023, hoofdzakelijk in de vorm van energiegerelateerde subsidies en, in mindere mate, verlagingen van de indirecte belastingen. Na rond eind 2022/begin 2023 een piek te hebben bereikt, daalde de inflatie aanzienlijk, ondersteund door een krapper monetair beleid, teruglopende mondiale energieprijzen, de geleidelijke afname van knelpunten in de toelevering en basiseffecten. Toch is de inflatie in de meeste onderzochte landen de afgelopen tien jaar gemiddeld hoger en volatieler geweest dan in het eurogebied.
Grafiek 3.2
Ontwikkeling en vooruitzichten van de HICP-inflatie op langere termijn
(mutaties in procenten per jaar)

Bronnen: Europese Commissie (Directoraat-Generaal Economische en Financiële Zaken) en de ECB.
Toelichting: De volle lijnen tonen de mutaties in procenten per jaar in de maandelijkse HICP-cijfers. Het grijze gedeelte heeft betrekking op prognoses van de HICP-inflatie op jaarbasis uit de Economische Voorjaarsprognose 2026 van de Europese Commissie.
Grafiek 3.3
Cumulatieve groei van de HICP-inflatie, de nominale arbeidskosten per eenheid product en de geharmoniseerde indicatoren van het concurrentievermogen (HCI) tussen 2016 en 2025
a) HICP-inflatie en nominale arbeidskosten per eenheid product | b) HCI op basis van de arbeidskosten per eenheid product en de bbp-deflator |
|---|---|
(in procentpunten; x-as: cumulatieve HICP-groei; y-as: cumulatieve groei arbeidskosten per eenheid product) | (in procentpunten; x-as: cumulatieve groei HCI op basis van bbp-deflator; y-as: cumulatieve groei HCI op basis van de arbeidskosten per eenheid product) |
![]() | ![]() |
Bronnen: Eurostat en de ECB.
Toelichting: Paneel a) toont de cumulatieve HICP-groei op de x-as en de cumulatieve groei van de arbeidskosten per eenheid product op de y-as. Paneel b) toont de cumulatieve stijging van de HCI’s op basis van de bbp-deflator op de x-as en de cumulatieve stijging van de HCI’s op basis van de totale arbeidskosten per eenheid product op de y-as. De volle lijnen in elk paneel zijn de deellijnen. De HICP-groei wordt berekend aan de hand van maandcijfers die tot gemiddelde jaarcijfers zijn geaggregeerd. De HCI’s op basis van de bbp-deflator voor de eurolanden worden berekend ten opzichte van de 21 landen van het eurogebied en de handelspartners in de EER-40-groep; de HCI’s op basis van de totale arbeidskosten per eenheid product voor de eurolanden worden berekend ten opzichte van de 21 landen van het eurogebied en de handelspartners in de EER-17-groep. Voor de niet-eurolanden worden de HCI’s op basis van de bbp-deflator en de totale arbeidskosten per eenheid product berekend ten opzichte van de handelspartners in respectievelijk de EER-40- en de EER-17-groep. De rode stippen geven de onderzochte landen weer (met label); de groene stippen zijn de landen die vanaf 2003 tot het eurogebied zijn toegetreden (zonder label); de lichtblauwe stippen zijn de landen die vóór 2003 tot het eurogebied zijn toegetreden (zonder label); de grijze stip staat voor Denemarken en de donkerblauwe stip voor het geaggregeerde cijfer voor het eurogebied.
In mei 2026 noteerden drie van de vijf onderzochte landen een twaalfmaands gemiddelde inflatie boven de referentiewaarde van 2,7% voor het criterium prijsstabiliteit. Nadat in 2022 de inflatie sterk was gestegen, begon deze in 2023 in alle onderzochte landen aanmerkelijk te dalen en nam in 2024 verder af. Maar de desinflatiepatronen verliepen echter per land anders. In Roemenië was de inflatie hoger dan elders en deze is sinds medio 2025 aanzienlijk gestegen. Dit was het gevolg van indirecte belastingmaatregelen die in het kader van de begrotingsconsolidatie werden doorgevoerd, waardoor de inflatie ver boven de doelstelling van de centrale bank kwam. In Hongarije keerde de inflatie tegen eind 2025 terug tot binnen de door de centrale bank toegestane bandbreedtes. In Polen daalde de inflatie in de eerste helft van 2024 weer richting de doelstelling en is – na een tijdelijke stijging – sinds medio 2025 binnen de doelstelling gebleven. De inflatiedruk werd in 2025 in alle landen mede bepaald door hogere voedselprijzen, die in Midden- en Oost-Europa gemiddeld sterker stegen dan in het eurogebied vanwege weergerelateerde aanbodverstoringen, sneller stijgende inputkosten – waaronder lonen, energie en kunstmest – en het hogere gewicht van voedingsmiddelen in de consumptiemandjes in Midden- en Oost-Europa. Ook de aanhoudende, zij het afnemende, krapte op de arbeidsmarkt oefende opwaartse druk uit op de loongroei in de meeste van deze landen. In de eerste maanden van 2026 droegen de stijgende energiekosten, als gevolg van de escalatie van de geopolitieke spanningen in het Midden-Oosten, bij aan de opwaartse druk op de inflatie in de onderzochte landen. Als reactie daarop hebben de autoriteiten in alle onderzochte landen maatregelen genomen om de gevolgen van de hogere energieprijzen te verzachten, zoals plafonds voor brandstofprijzen, verlagingen van accijnzen, winstmargeplafonds en subsidies aan huishoudens en bedrijven, die naar verwachting de inflatoire druk zullen verlichten. In mei 2026 lag de inflatie in Roemenië ruim boven de referentiewaarde, terwijl de inflatie in Hongarije en Polen ook boven de drempelwaarde lag, zij het in mindere mate (grafiek 3.4). Daarentegen bleef de inflatie in Tsjechië en Zweden onder de referentiewaarde. In het convergentieverslag van 2024 noteerden alle onderzochte landen inflatiecijfers boven de toen geldende referentiewaarde (3,3%). Dit wijst op enige vooruitgang in de inflatieconvergentie, hoewel deze van land tot land verschillend blijft.
Grafiek 3.4
HICP-inflatie
(gemiddelde mutaties in procenten per jaar)

Bronnen: Eurostat en berekeningen van de ECB.
Als gevolg van de heterogene desinflatoire dynamiek verliep de versoepeling van het monetair beleid na de inflatoire schok van 2022-2023 verschillend tussen de landen. Na de eerdere verkrappingscyclus, die in de onderzochte landen vóór die van het eurogebied begon, werd de beleidskoers geleidelijk versoepeld naarmate de inflatie afnam (grafiek 3.5, paneel a). De centrale banken van Tsjechië en Polen startten in 2023 met een versoepeling van het monetair beleid, terwijl Zweden in 2024 begon met het verlagen van de beleidsrente. Polen heeft een gereserveerdere aanpak gevolgd en versoepelde pas weer in 2025. In Hongarije en Roemenië bleef de beleidsrente relatief hoog, als gevolg van de hardnekkigere inflatoire druk en de toegenomen binnenlandse en mondiale onzekerheid. Ondanks de sterke stijgingen van de inflatie in de afgelopen jaren zijn de inflatieverwachtingen op langere termijn in de onderzochte landen over het algemeen min of meer stabiel gebleven en dicht bij hum respectieve streefpercentages (grafiek 3.5, paneel b). In een klimaat van verhoogde onzekerheid en inflatie wijst de verankering van de verwachtingen voor de langere termijn op de blijvende geloofwaardigheid van het monetair beleid.
Grafiek 3.5
Belangrijkste beleidsrentes en langetermijninflatieverwachtingen
a) Belangrijkste beleidsrentes | b) Inflatieverwachtingen op de lange termijn |
|---|---|
(procenten per jaar) | (mutaties in procenten per jaar) |
![]() | ![]() |
Bronnen: Bloomberg, Consensus Economics en de ECB.
Toelichting: Paneel a) toont de ontwikkelingen in belangrijke monetairbeleidsrentes; de meest recente ontwikkelingen betreffen 17 juni 2026. Paneel b) toont inflatievoorspellingen voor de lange termijn (zes tot tien jaar vooruit) op basis van enquêtedata van Consensus Economics van april 2026. De streepjes rond de inflatiedoelstelling vormen de doelbandbreedte van de centrale bank.
In sommige onderzochte landen blijven de risico’s voor de houdbaarheid van de inflatieconvergentie uitgesproken. Volgens de economische voorjaarsprognose 2026 van de Europese Commissie zal de inflatie in de meeste onderzochte landen in 2026 naar verwachting stijgen (grafiek 3.2), voornamelijk door opwaartse druk van hogere energieprijzen als gevolg van nieuwe geopolitieke spanningen. Tegelijkertijd zou een zwakkere economische bedrijvigheid de inflatie in de onderzochte landen kunnen helpen verlagen. Deze prognoses zijn met aanzienlijke onzekerheid omgeven, aangezien de inflatie in de onderzochte landen gevoelig is voor externe schokken, waaronder nieuwe volatiliteit op de mondiale energiemarkten in het huidige geopolitieke klimaat en de omvang van indirecte en tweederonde-effecten bij een sterkere en langer durende energieschok. Ook aanhoudende krapte op de arbeidsmarkt, met name in sommige Midden- en Oost-Europese landen, kan de opwaartse druk op de lonen versterken. Op middellange termijn kan de inflatiedynamiek verder onder druk komen door structurele factoren, zoals demografische ontwikkelingen en de economische gevolgen van de klimaatverandering, waaronder de kosten in verband met de groene transitie. Aangezien het bbp per hoofd van de bevolking en het prijsniveau in de Centraal- en Oost-Europese landen onder het gemiddelde van het eurogebied blijven (grafiek 3.6), kan het lopende inhaalproces op langere termijn aanleiding geven tot positieve inflatieverschillen ten opzichte van het eurogebied, tenzij dit wordt gecompenseerd door een stijging van de nominale wisselkoersen.
Grafiek 3.6
Prijzen en lonen ten opzichte van het eurogebied
a) Vergelijkend prijsniveau | b) Loonsom per werknemer |
|---|---|
(index: eurogebied = 100) | (index: eurogebied = 100) |
![]() | ![]() |
Bronnen: Eurostat en berekeningen van de ECB.
Toelichting: Paneel a): vergelijkend prijsniveau voor consumptieve bestedingen van huishoudens op basis van koopkrachtpariteiten. Paneel b): loonsom per werknemer in de totale economie, berekend als beloning van werknemers in huidige prijzen gedeeld door het aantal werknemers. De meest recente waarnemingen betreffen 2025.
Een klimaat dat bevorderlijk is voor duurzame prijsstabiliteit in de landen die in dit verslag aan bod komen vereist op stabiliteit gericht macro-economisch beleid, aanhoudende structurele hervormingen en doeltreffende waarborgen voor de financiële stabiliteit. In het huidige klimaat van verhoogde geopolitieke en handelsonzekerheid en aanhoudende begrotingsaanpassingen in verschillende landen is het bijzonder belangrijk dat de geloofwaardigheid van het beleid en de economische veerkracht behouden blijven. De werking van de arbeidsmarkten blijft van cruciaal belang voor het behoud van prijsstabiliteit. Een sleutelfactor voor de toekomst is de mate waarin de loonontwikkelingen een afspiegeling vormen van de groei van de arbeidsproductiviteit, de arbeidsmarktomstandigheden en de ontwikkelingen in het prijs- en kostenconcurrentievermogen ten opzichte van de handelspartners (grafiek 3.3). De aanhoudend krappe arbeidsmarkten en demografische beperkingen onderstrepen het belang van beleid dat het arbeidsaanbod en de productiviteit verbetert. Voortdurende inspanningen om de concurrentie op de productmarkten te vergroten, de institutionele kwaliteit te verbeteren en de governance te versterken, zijn van essentieel belang om de potentiële groei te ondersteunen en de inflatoire druk op middellange termijn te beperken. In een omgeving waarin de ruimte voor het monetair beleid beperkt kan zijn en externe schokken frequent blijven, moeten andere beleidsterreinen de macro-economische stabiliteit ondersteunen en de opbouw van macro-economische en financiële onevenwichtigheden voorkomen.
3.2 Het criterium begrotingssituatie van de overheid
Ten tijde van de publicatie van dit verslag zijn Hongarije, Polen en Roemenië onderwerp van een EU-Raadsbesluit betreffende het bestaan van een buitensporig tekort. In Roemenië overschreed het tekort in 2019 de referentiewaarde van 3% bbp en in april 2020 werd een procedure bij buitensporige tekorten gestart. De uiterste termijn voor de correctie van het buitensporige tekort is sindsdien verlengd tot 2030. In Hongarije en Polen werden in juli 2024 procedures bij buitensporige tekorten gestart op basis van de tekorten boven de referentiewaarde van 3% bbp in 2023. De uiterste termijnen voor de correctie van het buitensporige tekort werden vastgesteld op 2026 voor Hongarije en 2028 voor Polen. De referentiewaarde voor het begrotingstekort als percentage van het bbp van deze drie landen lag in 2025 opnieuw boven de referentiewaarde, terwijl de twee andere onderzochte landen een tekort onder de referentiewaarde lieten optekenen (grafiek 3.7). Het tekort lag ruim boven de referentiewaarde in Hongarije (4,7% bbp) en aanzienlijk erboven in Polen (7,3% bbp) en in Roemenië (7,9% bbp). In Tsjechië bleef het tekort met 2,1% bbp onder de referentiewaarde en in Zweden bleef het met 1,3% bbp ruim onder de referentiewaarde.
Grafiek 3.7
Overschot (+) of tekort (-) van de overheid
(% bbp)

Bron: Eurostat.
Toelichting: De gegevens over 2023 zijn sinds het convergentieverslag 2024 licht herzien.
In drie van de in dit verslag behandelde landen lag het begrotingstekort in 2025 boven het niveau van 2023. In 2023 was het begrotingstekort in de meeste onderzochte landen toegenomen. Alle landen behalve Zweden noteerden een tekort van meer dan 3% bbp als gevolg van de economische impact van de Russische oorlog tegen Oekraïne, budgettaire beleidsmaatregelen die werden genomen als reactie op de daaruit voortvloeiende hoge energieprijzen en de verzwakking van de economische bedrijvigheid. Sindsdien hebben de begrotingssaldi zich in uiteenlopende zin ontwikkeld, aangezien de positieve effecten van de intrekking van energiemaatregelen en sterkere economische bedrijvigheid in ongelijke mate werden gecompenseerd door hogere defensie-uitgaven als reactie op de aanhoudende agressie van Rusland in Oekraïne en hogere rente-uitgaven. Over het geheel genomen verslechterde het begrotingssaldo tussen 2023 en 2025 in Polen, Roemenië en Zweden (hoewel het in Zweden ruim onder de referentiewaarde bleef), terwijl het in de andere twee onderzochte landen verbeterde. De tekortquote in Tsjechië daalde in 2024 tot onder de referentiewaarde van 3% bbp en bleef daaronder in 2025.
De Europese Commissie voorspelt dat het begrotingstekort in Hongarije, Polen en Roemenië in 2026 aanzienlijk boven de referentiewaarde van 3% blijft. In 2026 verslechtert het begrotingssaldo volgens de prognose in drie van de onderzochte landen. Verwacht wordt dat het saldo in Hongarije, Polen en Roemenië aanzienlijk boven de referentiewaarde zal blijven. Tegelijkertijd blijft het begrotingssaldo naar verwachting in de twee andere onderzochte landen onder de referentiewaarde van 3%. Hoewel alle onderzochte landen budgettaire energiemaatregelen hebben genomen als reactie op de energieprijsschok na het uitbreken van de oorlog in het Midden-Oosten, blijft het effect daarvan op de begroting volgens de verwachtingen beperkt. Voor vier van de landen wordt in 2027 een beter begrotingssaldo verwacht, dat in Hongarije, Polen en Roemenië naar verwachting echter nog steeds boven de referentiewaarde ligt.
In Hongarije lag de schuldquote in 2025 boven de drempel van 60% bbp, in de andere onderzochte landen lag deze eronder of ruim eronder (tabel 3.1 en grafiek 3.8). In alle onderzochte landen lag de overheidsschuldquote in 2025 boven het niveau van 2023, vooral als gevolg van hun aanhoudende begrotingstekorten. De schuldquote nam sterk toe in Polen, met 10,2 procentpunt bbp, en ging aanzienlijk omhoog in Roemenië, met 10,0 procentpunt bbp. In Zweden, met 2,9 procentpunt bbp, en Tsjechië, met 2,1 procentpunt bbp, werd een merkbare stijging opgetekend en in Hongarije een lichte toename met 1,3 procentpunt bbp. Over de langere tijdsperiode van 2016 tot en met 2025 bezien steeg de overheidsschuldquote sterk in Roemenië, met 21,5 procentpunt bbp, en aanzienlijk in Tsjechië, met 8,1 procentpunt bbp, en Polen met 5,6 procentpunt bbp, terwijl deze in de andere twee onderzochte landen constant bleef of daalde.
Grafiek 3.8
Bruto-overheidsschuld
(% bbp)

Bron: Eurostat.
Toelichting: De gegevens over 2023 zijn sinds het convergentieverslag 2024 licht herzien.
Voor 2026 voorziet de Europese Commissie een stijging van de schuldquote in alle onderzochte landen. Voor Polen en Roemenië wordt een aanzienlijke stijging van de schuldquote voorzien, voor de overige drie landen een gematigde stijging. De prognoses van de Commissie wijzen erop dat de schuldquote in Hongarije in 2026 boven de referentiewaarde van 60% blijft en in Polen en Roemenië daarboven zal stijgen.
In juni 2026 besloot de Europese Commissie de buitensporigtekortprocedures voor Hongarije, Polen en Roemenië op te schorten. Op 3 juni 2026 heeft de Commissie haar beoordeling van de naleving van de aanbevelingen in het kader van de procedure bij buitensporige tekorten bekendgemaakt op basis van haar economische voorjaarsprognoses 2026. Voor alle drie de landen werd geoordeeld dat ze doeltreffende maatregelen hebben genomen en dus werden hun procedures bij buitensporige tekorten opgeschort. Van Polen en Roemenië wordt ook verwacht dat ze in 2026 aan de aanbevelingen zullen voldoen, maar de Commissie stelde vast dat er een duidelijk risico bestaat dat Hongarije zijn buitensporig tekort niet zal corrigeren tegen 2026, het laatste jaar van zijn correctieve traject.
Voor de in dit verslag onderzochte landen is het van essentieel belang een gezonde en duurzame begrotingspositie te bereiken en/of te behouden. Hongarije, Polen en Roemenië, die allemaal onderworpen zijn aan buitensporigtekortprocedures, moeten de regels van het stabiliteits- en groeipact naleven en hun buitensporige tekorten corrigeren conform de aanbevelingen van de EU-Raad. Bovendien moeten ze ervoor zorgen dat hun overheidsschuldquotes, die volgens de huidige verwachtingen in 2026 en 2027 de referentiewaarde zullen overschrijden, voldoende dalen om bij een eventuele economische neergang in de toekomst over voldoende budgettaire buffers te beschikken. In alle onderzochte landen waren de tekorten in 2025 duidelijk groter dan voor de pandemie. De lidstaten dienen hun begrotingssaldo, op een groeibevorderende manier, zo snel mogelijk terug te brengen tot onder de referentiewaarde van 3% of het daaronder te houden, buffers op te bouwen die nodig zijn om de automatische stabilisatoren hun werk te laten doen en hun weerbaarheid tegen ongunstige schokken te vergroten. Alle landen moeten de naleving waarborgen van de aanbevelingen in het herziene stabiliteits- en groeipact. Een prudent begrotingsbeleid is noodzakelijk om het hoofd te bieden aan de budgettaire uitdagingen in verband met de hogere uitgavenbehoeften voor defensie, de groene transitie en ongunstige demografische ontwikkelingen. Stevige nationale begrotingskaders die volledig in overeenstemming zijn met de EU-regels moeten op doeltreffende wijze ten uitvoer worden gelegd om de begrotingsconsolidatie te ondersteunen, ontsporingen in de overheidsuitgaven te beperken en helpen voorkomen dat opnieuw macro-economische onevenwichtigheden ontstaan. Algemeen moeten overheden prioriteit geven aan houdbare overheidsfinanciën, strategische investeringen en groeibevorderende structurele hervormingen.
3.3 Het wisselkoerscriterium
Bij het verschijnen van dit verslag nam geen van de valuta’s van de in dit verslag onderzochte landen deel aan het ERM II. Vier van de valuta’s werden verhandeld in een stelsel van zwevende wisselkoersen, terwijl de Roemeense leu verhandeld werd in een stelsel van gereguleerd zwevende wisselkoersen. De meeste valuta’s vertoonden een relatief hoge wisselkoersvolatiliteit, grotendeels als gevolg van schommelingen in het beleggerssentiment op de valutamarkten in een snel evoluerend geopolitiek landschap en landspecifieke factoren die de externe factoren gedeeltelijk verergerden. De Roemeense leu vertoonde een relatief lage volatiliteit dankzij zijn stelsel van gereguleerd zwevende wisselkoersen en ondanks een aanzienlijke depreciatie in zowel mei 2025 als in mei 2026. De waarde van de Hongaarse forint steeg sterk na de parlementsverkiezingen van medio april 2026. Bijgevolg noteerde bij het verschijnen van dit verslag alleen de Roemeense leu onder het niveau van juni 2024, dat bij ontstentenis van een spilkoers binnen het ERM II ter illustratie als toetsingscriterium wordt gebruikt, terwijl de andere valuta’s sinds juni 2024 allemaal in waarde waren gestegen ten opzichte van de euro (grafiek 3.9).[154]
Grafiek 3.9
Bilaterale wisselkoersen ten opzichte van de euro
(index: gemiddelde van juni 2024 = 100; daggegevens; 1 juni 2024 – 17 juni 2026)

Bron: ECB.
Toelichting: Een opwaartse/neerwaartse beweging betekent een waardestijging/waardedaling van de valuta.
3.4 Het langerentecriterium
Drie van de vijf onderzochte landen hadden gedurende de referentieperiode van juni 2025 tot en met mei 2026 een gemiddelde lange rente die boven de referentiewaarde van 5,1% lag (grafiek 3.10). Het land met de laagste twaalfmaands gemiddelde lange rente was Zweden, met 2,6%. Ook Tsjechië noteerde met 4,5% een gemiddelde rente onder de referentiewaarde, terwijl Polen daar met 5,4% boven bleef. De hoogste gemiddelde lange rente, namelijk 6,7%, werd opgetekend in zowel Hongarije als Roemenië. In de vijf landen vertoonde het twaalfmaands gemiddelde van de lange rente zeer beperkte schommelingen gedurende de verslagperiode, die begon met de publicatie van het convergentieverslag 2024. Tegelijkertijd is de maandelijkse lange rente in drie van de vijf landen gestegen, onder invloed van zowel mondiale ontwikkelingen als binnenlandse factoren zoals de hogere inflatie en, in sommige gevallen, de hoge groei en een soepeler begrotingsbeleid. In Polen bleef de maandelijkse lange rente stabiel in een periode waarin de inflatie gematigder was, de economische groei veerkrachtig bleef en het begrotingsbeleid werd verruimd, terwijl dit rentetarief in Hongarije een scherpe daling van 1,2 procentpunt liet optekenen, bijna volledig na de parlementsverkiezingen van april 2026.
Grafiek 3.10
Lange rente
(jaargemiddelde in procenten)

Bronnen: Eurostat en de ECB.
Sinds het convergentieverslag van 2024 vertoont de dynamiek van de langerenteverschillen ten opzichte van het gemiddelde in het eurogebied in de onderzochte landen een nogal divers beeld. Dat komt doordat de landen zich in verschillende fasen van de conjunctuurcyclus bevinden, maar ook doordat hun externe en interne kwetsbaarheden, waaronder de ontwikkeling van hun begroting en de vooruitzichten voor duurzame convergentie, door de financiële markten uiteenlopend worden beoordeeld. In Hongarije daalde de binnenlandse lange rente na de verkiezingen van midden april 2026 met 0,5 procentpunt in twee dagen, waarna die daling zich op een meer geleidelijke manier heeft voortgezet. In mei 2026 was het verschil ten opzichte van de gemiddelde rente in het eurogebied tijdens de verslagperiode in totaal met 1,2 procentpunt gedaald. In Polen en Roemenië daalde het renteverschil in de verslagperiode eveneens, met respectievelijk 0,3 en 0,2 procentpunt. In Tsjechië en Zweden, ten slotte, steeg het renteverschil met respectievelijk 0,3 en slechts 0,1 procentpunt. Sinds het uitbreken van de oorlog in het Midden-Oosten eind februari 2026 is het langerenteverschil alleen in Tsjechië en Polen toegenomen, met respectievelijk 0,2 en 0,4 procentpunt. In Hongarije is het langerenteverschil met 1,2 procentpunt teruggelopen, terwijl het in Roemenië en Zweden veel minder is gedaald (respectievelijk -0,1 en -0,2 procentpunt).
3.5 Andere relevante factoren
Volgens de Europese Commissie is er nog steeds bezorgdheid over het kostenconcurrentievermogen. In haar waarschuwingsmechanismeverslag 2026 wees de Commissie op de aanhoudende druk op het concurrentievermogen in de onderzochte Midden- en Oost-Europese landen als gevolg van de nog steeds hoge nominale groei van de arbeidskosten per eenheid product, aanzienlijke cumulatieve inflatieverschillen en krappe arbeidsmarktomstandigheden. De Commissie concludeerde dat ten aanzien van Hongarije, Roemenië en Zweden grondige evaluaties gerechtvaardigd waren. Wat Hongarije betreft, wees de Commissie op een hoge groei van de arbeidskosten per eenheid product, een hoge kerninflatie, aanzienlijke budgettaire kwetsbaarheden, waaronder hoge overheidstekorten en schuldgerelateerde risico’s, en nieuwe opwaartse druk op de huizenmarkt. Wat Roemenië betreft, wees de Commissie op aanzienlijke risico’s voor de houdbaarheid van externe schuld en aanhoudende bezorgdheid over het concurrentievermogen, die te wijten is aan een zeer hoge groei van de arbeidskosten per eenheid product, grote tekorten op de lopende rekening en aanzienlijke budgettaire onevenwichtigheden. Voor Zweden heeft de Commissie aanhoudende kwetsbaarheden vastgesteld in verband met hoge huizenprijzen en hoge schulden van huishoudens en bedrijven. Hoewel de Commissie oordeelde dat de overige voor dit verslag onderzochte landen geen onevenwichtigheden vertonen, blijven ook voor die landen economische uitdagingen bestaan, die zijn uiteengezet in de hoofdstukken over die landen. In het voorjaarspakket van het Europees Semester 2026 bevestigde de Commissie dat Hongarije nog steeds onevenwichtigheden ondervindt. De Commissie stelde ook vast dat Roemenië met buitensporige onevenwichtigheden wordt geconfronteerd, aangezien de kwetsbaarheden in verband met tekorten op de begroting en de lopende rekening zeer aanzienlijk blijven, ondanks enige recente verbetering, terwijl het kostenconcurrentievermogen verder is verslechterd.
De externe positie van de meeste onderzochte landen is de afgelopen jaren verbeterd, hoewel de recente energieprijsschok en de daarmee gepaard gaande volatiliteit tot een nieuwe verslechtering kunnen leiden. Het scorebord van de procedure voor macro-economische onevenwichtigheden laat zien dat het driejaars gemiddelde saldo van de lopende rekening in de meeste landen in Midden- en Oost-Europa in 2025 is gestegen (tabel 3.2) door de verbetering van de ruilvoet en de afnemende binnenlandse vraag. In Roemenië, waar grote begrotingstekorten de afgelopen jaren hebben bijgedragen tot aanzienlijke externe onevenwichtigheden, bleef het driejaars gemiddelde tekort op de lopende rekening in 2025 echter boven de indicatieve drempelwaarde van -4,0% bbp. Alle onderzochte landen zijn netto-importeurs van energie, zij het in verschillende mate en met een uiteenlopende geografische diversificatie van hun energie-invoer, waardoor hun externe positie bijzonder kwetsbaar is voor de recente energieprijsschok en de daarmee gepaard gaande volatiliteit.
In de meeste onderzochte landen is de negatieve netto internationale investeringspositie (NIIP) als percentage van het bbp de voorbije jaren verbeterd, maar aanzienlijk gebleven. In 2025 bleef de NIIP in Roemenië boven de indicatieve drempelwaarde van -35% bbp. De netto externe passiva waren lager in Hongarije (32,4% bbp), Polen (29,5% bbp) en Tsjechië (9,8% bbp), terwijl de NIIP in Zweden positief bleef (54,7% bbp). In de vier Midden- en Oost-Europese landen bestaan de netto externe passiva hoofdzakelijk uit buitenlandse directe investeringen, die over het algemeen als een stabielere vorm van financiering worden beschouwd dan kapitaal- of schuldstromen. In verschillende onderzochte landen is de instroom van buitenlandse directe investeringen de afgelopen jaren echter afgenomen sinds de grootschalige invasie van Oekraïne door Rusland. Tegen de huidige geopolitieke achtergrond en door de toegenomen onzekerheid op de mondiale financiële markten blijven aanzienlijke externe passiva een bron van kwetsbaarheid voor negatieve schokken die het beleggersvertrouwen of de voorwaarden voor externe financiering beïnvloeden.
In de meeste onderzochte landen is er nog steeds bezorgdheid over het prijs- en kostenconcurrentievermogen. De HICP-gedefleerde reëel-effectieve wisselkoersen zijn de afgelopen drie jaar in de meeste onderzochte landen in uiteenlopende mate gestegen. In Hongarije, Polen en Roemenië kwam die stijging boven de indicatieve drempelwaarde van 10% uit. In alle landen steeg de driejaars groei van de nominale arbeidskosten per eenheid product in dezelfde periode en overschreed deze, met uitzondering van Zweden, in 2025 de indicatieve drempelwaarde van 12%. De groei van de arbeidskosten per eenheid product bleef bijzonder hoog in Hongarije, Polen en Roemenië, waar de cumulatieve stijgingen meer dan het dubbele van de drempelwaarde bedroegen. Deze ontwikkelingen zijn grotendeels toe te schrijven aan de sterke nominale loongroei in de afgelopen jaren, in combinatie met een meer gematigde productiviteitsgroei. Ondanks de verslechtering van de indicatoren voor het kostenconcurrentievermogen bleven de uitvoerprestaties ten opzichte van ontwikkelde economieën over een periode van drie jaar over het algemeen veerkrachtig in 2025. Dit was deels te danken aan de uitbreiding van de exportproductiecapaciteit en structurele verschuivingen in handelspatronen. In de toekomst zouden nieuwe stijgingen van de energieprijzen en een bredere kostendruk in het huidige geopolitieke klimaat het concurrentievermogen verder onder druk kunnen zetten als ze tot aanhoudende inflatieverschillen ten opzichte van handelspartners zouden leiden.
De economieën van de onderzochte landen blijven door middel van handelsbetrekkingen en financiële relaties sterk geïntegreerd in het eurogebied. Het eurogebied blijft voor alle onderzochte landen de belangrijkste handels- en financiële partner (grafiek 3.11). In 2025 varieerde de uitvoer van goederen naar het eurogebied van ongeveer 41% van de totale uitvoer in Zweden tot 63,4% in Tsjechië, terwijl de invoer uit het eurogebied varieerde van 50,6% van de totale invoer in Roemenië tot 56,5% in Tsjechië. Ook de financiële relaties met het eurogebied zijn aanzienlijk. Het aandeel van het eurogebied in het uitstaande bedrag aan inkomende directe investeringen bedroeg meer dan 70% in Tsjechië, Roemenië en Polen, terwijl het aandeel van het eurogebied in de uitstaande portefeuilleverplichtingen in Tsjechië ruim 60% bedroeg. Zowel wat de directe investeringen als het effectenverkeer betreft was het aandeel van de buitenlandse activa dat in het eurogebied is belegd het hoogst in Roemenië, gevolgd door Tsjechië. Naast handel en financiële aandelen zijn deze economieën ook diep verankerd in de waardeketens van het eurogebied: er is een hoge mate van deelname aan grensoverschrijdende productienetwerken, met name in de verwerkende industrie. Dit versterkt de transmissie van vraag- en aanbodschokken tussen het eurogebied en de betrokken landen. Bovendien blijven banken die eigendom zijn van financiële instellingen in het eurogebied een belangrijke rol spelen in het bankwezen in verschillende landen in Midden- en Oost-Europa, met name Tsjechië en Roemenië. In sommige landen van het eurogebied spelen Zweedse banken een sleutelrol. Dankzij deze diepgaande economische betrekkingen zijn de conjunctuurcycli van de onderzochte landen beter afgestemd op die van het eurogebied.
Grafiek 3.11
Handel en financiële betrekkingen met het eurogebied
a) Aandeel van de goederenhandel met het eurogebied | b) Investeringspositie t.o.v. het eurogebied |
|---|---|
(percentage van het totaal) | (percentage van het totaal) |
![]() | ![]() |
Bronnen: Eurostat en de ECB.
Toelichting: Gegevens hebben betrekking op 2025.
De risico’s in verband met onroerend goed zijn in verschillende landen toegenomen door een nieuwe stijging van de huizenprijzen en de kredietverlening. Na de correctie in 2022-2023 zijn de woningmarkten in de meeste onderzochte landen weer aangetrokken. Sinds 2024 zijn de huizenprijzen in Hongarije en Tsjechië aanzienlijk gestegen. Groeicijfers op jaarbasis komen er tot boven de 10% uit (grafiek 3.12, paneel a) en standaardwaarderingsindicatoren wijzen op overwaardering ten opzichte van de fundamentele maatstaven. De stijging van de huizenprijzen is ook versneld in Roemenië, zij het in mindere mate. Daar laten standaardwaarderingsindicatoren zien dat de prijzen onder de geraamde evenwichtsniveaus blijven. In alle onderzochte landen is de groei van de kredietverlening aan huishoudens de afgelopen jaren aangetrokken. Desondanks blijft de schuldenlast van huishoudens in de Midden- en Oost-Europese landen relatief laag ten opzichte van het gemiddelde van het eurogebied (grafiek 3.12, paneel b), waardoor systeemrisico’s beperkt zijn. De kwetsbaarheden blijven daarentegen meer uitgesproken in Zweden. De private schulden zijn er nog steeds hoog, hoewel ze enigszins zijn gedaald in de afgelopen jaren, en de banksector heeft een aanzienlijke blootstelling aan de vastgoedsector. Voor de toekomst moet de aanhoudende snelle groei van de prijzen en de kredietverlening in sommige onderzochte landen nauwlettend worden gevolgd, met name bij een verkrapping van de financieringsvoorwaarden of een verslechtering van de arbeidsmarktvooruitzichten.
Grafiek 3.12
Ontwikkelingen op de huizenmarkt en schuldenlast van de particuliere sector
a) Huizenprijzen en kredietverlening aan huishoudens | b) Schuldenlast van de particuliere sector |
|---|---|
(mutaties in procenten per jaar) | (% bbp) |
![]() | ![]() |
Bronnen: Eurostat, ECB en berekeningen van de ECB.
Toelichting: Paneel a): door monetaire financiële instellingen gerapporteerde nominale huizenprijzen en kredietverlening aan huishoudens (op basis van aangepaste fictieve standen). Paneel b): schuldenlast van huishoudens en niet-financiële ondernemingen; gegevens hebben betrekking op het vierde kwartaal van 2025; niet-geconsolideerde kwartaalgegevens.
De staatsobligatieposities van de nationale banksectoren zijn de afgelopen jaren toegenomen, hoewel de banksectoren sterke kapitaalbuffers aanhouden. De staatsobligatieposities zijn de afgelopen jaren in alle onderzochte Midden- en Oost-Europese landen toegenomen en zijn nog steeds aanzienlijk hoger dan in het eurogebied (grafiek 3.13, paneel a). Dit zou de kwetsbaarheden in geval van begrotingsdruk of een herbeoordeling van het landenrisico kunnen versterken, wat van invloed kan zijn op de balansen, de financieringsvoorwaarden en de kredietverlening van banken. Hoewel de wisselkoersrisico’s in sommige landen hoog blijven, lijken de nevenrisico’s beperkt. De kredietopname in vreemde valuta door bedrijven vindt namelijk grotendeels plaats in uitvoergerichte sectoren met natuurlijke afdekkingen via in euro's luidende inkomsten, en het gebruik van de euro door huishoudens blijft beperkt. Ondanks de kwetsbaarheden die verband houden met de ontwikkelingen op de vastgoedmarkt en de toenemende staatsobligatieposities geven de banksectoren in de onderzochte landen nog steeds blijk van gezonde kapitaalposities en liquiditeitsbuffers, stabiele toegang tot financiering en voldoende winstgevendheid. Het percentage niet-renderende leningen is verder gedaald of dicht bij het historische dieptepunt gebleven (grafiek 3.13, paneel b), hoewel het in de meeste gevallen boven het gemiddelde van het eurogebied blijft.
Grafiek 3.13
Staatsobligatieposities en niet-renderende leningen in de banksector
a) Aanhoudingen van staatsobligaties door banken | b) Niet-renderende leningen |
|---|---|
(procenten van de totale activa) | (procenten van het totaal van de leningen) |
![]() | ![]() |
Bronnen: ECB en berekeningen van de ECB.
Toelichting: Paneel a): aandeel van aangehouden overheidsschuldbewijzen in het totaal aan bancaire activa. Paneel b): verhouding tussen bruto niet-renderende leningen en totale brutoleningen (percentage niet-renderende leningen).
Het beleid voor de financiële sector moet de financiële stabiliteit waarborgen en op die manier bijdragen aan duurzame economische groei en handhaving van prijsstabiliteit. Het handhaven van prudent toezicht en macroprudentiële regels blijft van essentieel belang om kwetsbaarheden in verband met de hoge schuldenlast van huishoudens of ondernemingen, staatsobligatieposities en ontwikkelingen op de vastgoedmarkt te beperken. Om het vertrouwen in het financiële stelsel verder te ondersteunen, moeten de nationale bevoegde autoriteiten de toezichtwerkwijzen blijven versterken, onder meer door de aanbevelingen van internationale en Europese organen uit te voeren en door binnen toezichthoudende colleges nauw samen te werken met andere EU-toezichthouders.
In de meeste onderzochte landen blijft de arbeidsmarkt krap. Hoewel de werkloosheid de afgelopen jaren enigszins is gestegen, blijft deze in alle landen behalve Zweden dicht bij een historisch laag niveau en onder het gemiddelde van het eurogebied (grafiek 3.14, paneel a). In verschillende segmenten van de arbeidsmarkt is er nog steeds een tekort aan arbeidskrachten, waardoor een opwaartse druk blijft bestaan op de lonen. Tegelijkertijd is de krapte op de arbeidsmarkt deels afgenomen door een stijgende netto migratie-instroom, waaronder de komst van werknemers van buiten de EU en Oekraïense vluchtelingen. Niettemin blijven ongunstige demografische trends een structurele uitdaging, aangezien de bevolking op arbeidsleeftijd in verscheidene van de Midden- en Oost-Europese landen blijft afnemen als gevolg van de vergrijzing van de bevolking en de uitstroom van migranten uit het verleden (grafiek 3.14, paneel b). Andere structurele uitdagingen zijn de relatief lage arbeidsmarktparticipatie in sommige landen en de aanhoudende discrepanties tussen gevraagde en aangeboden vaardigheden. Op middellange termijn vormen demografische tegenwind en structurele beperkingen op de arbeidsmarkt een belangrijke uitdaging voor verdere reële convergentie met het eurogebied.
Grafiek 3.14
Arbeidsmarktindicatoren
a) Werkloosheidspercentage | b) Bevolking op arbeidsleeftijd |
|---|---|
(in procenten van de beroepsbevolking) | (mutaties in procenten) |
![]() | ![]() |
Bronnen: Eurostat en berekeningen van de ECB.
Toelichting: Paneel b): mutaties in procenten tussen het eerste kwartaal van 2014 en het vierde kwartaal van 2025 (blauwe staafjes); mutaties in procenten tussen het eerste kwartaal van 2022 en het vierde kwartaal van 2025 (gele staafjes).
De sterkte van het institutioneel bestel is een belangrijke factor bij de beoordeling van de duurzaamheid van de economische integratie en convergentie. Sterkere governance en institutionele kwaliteit kunnen leiden tot verbeteringen in het ondernemingsklimaat, efficiëntere overheidsdiensten, meer transparantie en betere verantwoording, een sterkere rechtsstaat en een grotere digitale en administratieve capaciteit. In de meeste onderzochte landen zouden verdere verbeteringen van de institutionele kwaliteit starheden en belemmeringen voor een doelmatige allocatie van productiefactoren helpen wegnemen en zo de potentiële groei versterken. Een sterker institutioneel bestel draagt bij aan de productiviteit en de potentiële output, en kan zo ook de houdbaarheid van de schuld ondersteunen en de effectieve tenuitvoerlegging van beleidsmaatregelen vergemakkelijken.
Een betere institutionele kwaliteit en governance kunnen belangrijke economische voordelen opleveren, met name in Hongarije en Roemenië. Dit kan de economische veerkracht vergroten en de duurzaamheid van de convergentie ondersteunen. Hoewel er nog uitdagingen blijven op gebieden als de rechtsstaat, de kwaliteit van de regelgeving en de corruptiebestrijding, hebben sommige landen in de loop der tijd gestage vooruitgang geboekt (grafiek 3.15).[155] Roemenië en Hongarije kunnen hun institutionele uitdagingen aanpakken door zich te richten op de doeltreffende uitvoering van de hervormingen en mijlpalen die in hun plannen voor herstel en veerkracht zijn uiteengezet. Deze inspanningen zijn cruciaal om governancekaders te versterken en de rechtsstaat te bevorderen.
Grafiek 3.15
Overzicht institutionele kwaliteit EU-landen
a) Worldwide Governance Indicators | b) Corruption Perceptions Index |
|---|---|
(index: x-as: niveau in 2000; y-as: niveau in 2024) | (index: x-as: niveau in 1999; y-as: niveau in 2025) |
![]() | ![]() |
Bronnen: Wordwide Governance Indicators 2024 (World Bank), Transparency International en berekeningen van de ECB.
Toelichting: Paneel a): De index wordt berekend als het gemiddelde van de percentielscores van de volgende Worldwide Governance Indicators: stem en verantwoordingsplicht, politieke stabiliteit en afwezigheid van geweld/terrorisme, doeltreffendheid van de overheid, kwaliteit van de regelgeving, rechtsstaat en corruptiebestrijding. Paneel b): De Corruption Perceptions Index rangschikt landen op basis van de vermeende mate van corruptie in de overheidssector op een schaal van 0 (zeer corrupt) tot 100 (helemaal niet corrupt). Voor de Corruption Perceptions Index zijn de referentiejaren voor Cyprus en Malta respectievelijk 2003 en 2004. De rode stippen geven de onderzochte landen weer (met label); de groene stippen zijn de landen die vanaf 2003 tot het eurogebied zijn toegetreden (zonder label); de lichtblauwe stippen zijn de landen die vóór 2003 tot het eurogebied toetraden (zonder label) en de grijze stip staat voor Denemarken.
Brede structurele hervormingen zouden het convergentieproces ondersteunen door de potentiële groei en het concurrentievermogen te versterken. Verbetering van de institutionele kwaliteit en de governance, versterking van het ondernemingsklimaat, in combinatie met een doeltreffendere uitvoering van door de EU gefinancierde investerings- en hervormingsprogramma’s, zouden de productiviteitsgroei ondersteunen. In dit verband zouden de versterking van de governance en de efficiëntie van staatsbedrijven en het vergroten van de concurrentie in gereguleerde en netwerksectoren – waaronder energie en vervoer – helpen de toegangsbelemmeringen te verlagen, de toewijzing van middelen te verbeteren en particuliere investeringen te stimuleren, waardoor duurzame convergentie wordt ondersteund.
Tabel 3.2
Scorebord voor het toezicht op macro-economische onevenwichtigheden
Tabel 3.2a – Externe onevenwichtigheden en indicatoren van het concurrentievermogen
Saldo van de | Netto | Reëel-effectieve wisselkoers3) | Uitvoerprestaties t.o.v. | Index nominale arbeidskosten per eenheid product5) | |
|---|---|---|---|---|---|
Tsjechië |
|
|
|
|
|
2022 | -1,7 | -20,2 | 13,7 | -4,7 | 17,0 |
2023 | -2,3 | -14,4 | 24,2 | 0,5 | 18,4 |
2024 | -1,0 | -7,4 | 14,4 | 1,7 | 20,3 |
2025 | 0,8 | -9,8 | 7,2 | 8,4 | 19,8 |
Hongarije |
|
|
|
|
|
2022 | -4,8 | -44,7 | -7,9 | -3,5 | 25,4 |
2023 | -4,4 | -38,9 | 10,3 | 1,7 | 37,2 |
2024 | -2,4 | -33,3 | 7,3 | 1,3 | 48,4 |
2025 | 1,2 | -32,4 | 14,4 | 2,5 | 41,0 |
Polen |
|
|
|
|
|
2022 | -0,4 | -34,6 | -0,1 | 11,9 | 17,3 |
2023 | -0,7 | -31,8 | 9,3 | 7,7 | 25,1 |
2024 | -0,1 | -28,2 | 17,5 | 5,6 | 33,6 |
2025 | 0,3 | -29,5 | 21,6 | 8,3 | 28,8 |
Roemenië |
|
|
|
|
|
2022 | -7,3 | -42,6 | 2,6 | 3,5 | 19,1 |
2023 | -7,8 | -41,6 | 6,8 | 6,8 | 30,2 |
2024 | -8,1 | -41,3 | 9,7 | 1,8 | 51,0 |
2025 | -7,6 | -45,1 | 11,7 | 7,6 | 42,6 |
Zweden |
|
|
|
|
|
2022 | 5,3 | 38,5 | -1,3 | -1,3 | 8,0 |
2023 | 5,5 | 40,5 | -7,5 | -3,8 | 11,8 |
2024 | 5,7 | 67,1 | -9,7 | -4,1 | 13,6 |
2025 | 6,3 | 54,7 | 1,7 | 4,5 | 8,9 |
Drempelwaarde | -4,0/+6,0 | -35,0 | +/-10,0 | -3,0 | +12,0 |
Tabel 3.2b – Interne onevenwichtigheden en werkgelegenheidsindicatoren
Interne onevenwichtigheden | Werkgelegenheids- | |||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
Bruto-overheids- | Schulden | Schulden van niet-financiële | Krediet- | Krediet- | Huizen- | Werkloos- | Arbeids- | |
Tsjechië |
|
|
|
|
|
|
|
|
2022 | 42,5 | 31,4 | 44,9 | 4,9 | 11,3 | 16,9 | 2,2 | 0,5 |
2023 | 42,2 | 30,5 | 43,6 | 5,2 | 5,3 | -1,7 | 2,6 | 0,8 |
2024 | 43,3 | 30,7 | 44,7 | 6,0 | 4,9 | 5,0 | 2,6 | 0,9 |
2025 | 44,3 | 31,4 | 45,9 | 8,5 | 7,3 | 10,4 | 2,8 | 0,7 |
Hongarije |
|
|
|
|
|
|
|
|
2022 | 74,1 | 18,7 | 62,9 | 5,9 | 14,4 | 22,3 | 3,6 | 2,4 |
2023 | 73,3 | 16,9 | 55,7 | 3,9 | 7,4 | 7,1 | 4,1 | 2,9 |
2024 | 73,5 | 17,2 | 56,6 | 10,1 | 3,3 | 13,7 | 4,5 | 2,3 |
2025 | 74,6 | 18,3 | 52,5 | 14,2 | 5,0 | 18,3 | 4,4 | 1,3 |
Polen |
|
|
|
|
|
|
|
|
2022 | 48,8 | 26,2 | 35,5 | -3,4 | 10,3 | 11,8 | 2,9 | 3,5 |
2023 | 49,5 | 23,6 | 32,3 | -0,2 | 3,1 | 8,8 | 2,8 | 4,3 |
2024 | 54,8 | 22,6 | 31,1 | 3,3 | 5,9 | 15,0 | 2,9 | 1,8 |
2025 | 59,7 | 22,0 | 30,8 | 4,5 | 10,2 | 4,9 | 3,1 | 1,5 |
Roemenië |
|
|
|
|
|
|
|
|
2022 | 48,1 | 14,1 | 30,0 | 6,3 | 14,4 | 7,2 | 5,6 | 3,5 |
2023 | 49,3 | 12,7 | 28,4 | 4,3 | 11,6 | 3,3 | 5,6 | 2,7 |
2024 | 54,8 | 12,5 | 27,7 | 10,9 | 10,1 | 5,0 | 5,4 | 1,8 |
2025 | 59,3 | 12,3 | 27,5 | 10,6 | 10,4 | 5,7 | 6,1 | 0,3 |
Zweden |
|
|
|
|
|
|
|
|
2022 | 34,4 | 89,9 | 123,0 | 3,8 | 7,1 | 3,6 | 7,5 | 0,7 |
2023 | 32,2 | 85,5 | 117,8 | 0,6 | -0,1 | -5,2 | 7,7 | 1,8 |
2024 | 34,2 | 82,7 | 116,8 | 1,6 | -1,0 | 0,0 | 8,4 | 1,2 |
2025 | 35,1 | 82,3 | 110,5 | 2,9 | 2,6 | 1,0 | 8,8 | 0,7 |
Drempel- | 60,0 | 55,0 | 85,0 | 14,0 | 13,0 | 9,0 | 10,0 | -0,2 |
Bronnen: Europese Commissie (Eurostat, Directoraat-Generaal voor Economische en Financiële Zaken) en het Europees Stelsel van centrale banken.
Toelichting: Deze tabel bevat gegevens die beschikbaar waren per 17 juni 2026 (de afsluitingsdatum voor dit verslag) en verschilt derhalve van het in het waarschuwingsmechanismeverslag van 2026 gepubliceerde scorebord.
1) Als percentage bbp, driejaars gemiddelde.
2) Als percentage bbp.
3) HICP/CPI-gedefleerd. Mutatie in procenten over drie jaar ten opzichte van 41 andere industrielanden. Een positieve waarde betekent een verlies aan concurrentievermogen.
4) Mutatie in procenten over drie jaar. Geavanceerde economieën zijn de OESO-landen plus de EU-landen die geen lid zijn van de OESO.
5) Per gewerkt uur (2020 = 100), driejaars procentuele verandering.
6) Geconsolideerde schuld.
7) M.i.v. instellingen zonder winstoogmerk t.b.v. huishoudens (NPISH)
8) Als percentage van de uitstaande schuld van het voorgaande jaar.
9) M.u.v. buitenlandse directe investeringen.
10) Nominale huizenprijzen. Mutatie in procenten over één jaar.
11) In % van de beroepsbevolking van 15 tot en met 74 jaar.
12) In % van de bevolking van 15 tot en met 64 jaar, driejaars verandering.
4 Samenvattingen per land
4.1 Tsjechië
In mei 2026 bedroeg de twaalfmaands gemiddelde HICP-inflatie in Tsjechië 1,9%. Deze lag daarmee ruim onder de referentiewaarde van 2,7% voor het criterium prijsstabiliteit. Naar verwachting zal dit percentage de komende maanden geleidelijk stijgen, voornamelijk als gevolg van hogere grondstoffenprijzen en een verbreding van de inflatoire druk in verband met de oorlog in het Midden-Oosten. Tegelijkertijd blijven de arbeidsmarktomstandigheden krap ondanks tekenen van een afzwakking, waarbij de sterke loongroei bijdraagt tot de onderliggende inflatoire druk. Het bbp per hoofd van de bevolking en het prijsniveau zijn weliswaar relatief hoog in vergelijking met andere onderzochte Midden- en Oost-Europese landen, maar blijven onder het gemiddelde van het eurogebied. Tenzij het wordt gecompenseerd door een stijging van de nominale wisselkoers, kan het inhaalproces voor het bbp per hoofd van de bevolking en de prijsniveaus tot positieve inflatieverschillen ten opzichte van het eurogebied leiden, vooral als dit gepaard zou gaan met onhoudbare ontwikkelingen in de krediet- en activaprijzen.
Tsjechië is momenteel niet onderwerp van een Raadsbesluit betreffende het bestaan van een buitensporig tekort. Het begrotingstekort van Tsjechië lag in 2025 met 2,1% bbp onder de referentiewaarde van 3% en ook de schuldquote kwam met 44,3% onder de referentiewaarde van 60% uit.
Gedurende de tweejaars referentieperiode van 18 juni 2024 tot en met 17 juni 2026 heeft de Tsjechische koruna niet deelgenomen aan het ERM II. De munt werd verhandeld op basis van een vlottende wisselkoers. De wisselkoers van de Tsjechische koruna vertoonde gedurende de referentieperiode gemiddeld genomen een relatief hoge mate van volatiliteit ten opzichte van de euro. De koers van de koruna stond op 17 juni 2026 op 24,147 per euro en was daarmee 2,5% hoger dan het gemiddelde van juni 2024.
Gedurende de referentieperiode van juni 2025 tot en met mei 2026 bedroeg de lange rente in Tsjechië gemiddeld 4,5%. Die lag daarmee onder de referentiewaarde van 5,1% voor het renteconvergentiecriterium. De spread tussen de lange rente in Tsjechië en de (bbp-gewogen) rente in het eurogebied nam licht toe en bedroeg aan het einde van de referentieperiode 1,4 procentpunt. De kapitaalmarkten in Tsjechië zijn kleiner en veel minder ontwikkeld dan die in het eurogebied.
De Tsjechische wetgeving voldoet niet aan alle vereisten betreffende de onafhankelijkheid van de centrale bank, het verbod op monetaire financiering en de juridische integratie in het Eurosysteem. Tsjechië is een EU-lidstaat met een derogatie en moet derhalve, krachtens artikel 131 van het Verdrag, aan alle aanpassingsvereisten voldoen.
4.2 Hongarije
In Hongarije bedroeg de twaalfmaands gemiddelde HICP-inflatie in mei 2026 3,3%. Deze lag daarmee ruim boven de referentiewaarde van 2,7% voor het prijsstabiliteitscriterium. Naar verwachting zal dit percentage de komende maanden geleidelijk stijgen, voornamelijk als gevolg van hogere grondstoffenprijzen en een verbreding van de inflatoire druk in verband met de oorlog in het Midden-Oosten. Tegelijkertijd blijven de arbeidsmarktomstandigheden naar verwachting krap, ondanks tekenen van een afzwakking, met robuuste loongroei, deels als gevolg van verhogingen van de lonen in de overheidssector en de minimumlonen. Er is reden tot zorg over de duurzaamheid van de inflatieconvergentie in Hongarije op langere termijn. Tenzij het wordt gecompenseerd door een stijging van de nominale wisselkoers, kan het inhaalproces voor het bbp per hoofd van de bevolking en de prijsniveaus tot positieve inflatieverschillen ten opzichte van het eurogebied leiden, vooral als dit gepaard zou gaan met onhoudbare ontwikkelingen in de krediet- en activaprijzen.
Hongarije heeft sinds 2024 te maken met een buitensporigtekortprocedure. Het begrotingstekort van Hongarije lag in 2025 met 4,7% bbp ruim boven de referentiewaarde van 3%, terwijl de schuldquote met 74,6% boven de referentiewaarde van 60% uitkwam. Hongarije moet uiterlijk in 2026 een einde maken aan zijn buitensporig tekort. In juni 2026 heeft de Europese Commissie de buitensporigtekortprocedure tegen Hongarije opgeschort.
Gedurende de tweejarige referentieperiode van 18 juni 2024 tot en met 17 juni 2026 maakte de Hongaarse forint geen deel uit van het ERM II. De munt werd verhandeld op basis van een wisselkoersstelsel met een zwevende wisselkoers. Tijdens de referentieperiode vertoonde de koers van de Hongaarse forint ten opzichte van de euro gemiddeld een relatief hoge volatiliteit. De koers van de forint stond op 17 juni 2026 op 349,68 forint per euro en was daarmee 11,4% hoger dan het gemiddelde van juni 2024. Magyar Nemzeti Bank kwam in juni 2020 met de ECB een repofaciliteit overeen op grond waarvan ze maximaal € 4 miljard kon lenen tegen hoogwaardig onderpand in euro’s om Hongaarse financiële instellingen van liquiditeit in euro’s te voorzien. Deze overeenkomst werd in januari 2025 voor twee jaar verlengd en bleef dus van kracht tijdens de referentieperiode.
Gedurende de referentieperiode van juni 2025 tot en met mei 2026 bedroeg de lange rente in Hongarije gemiddeld 6,7% en deze lag daarmee boven de referentiewaarde van 5,1% voor het renteconvergentiecriterium. De spread tussen de lange rente in Hongarije en de (bbp-gewogen) rente in het eurogebied daalde aanzienlijk en bedroeg aan het einde van de referentieperiode 2,2 procentpunt. De kapitaalmarkten in Hongarije zijn kleiner en veel minder ontwikkeld dan die in het eurogebied.
De Hongaarse wetgeving voldoet niet aan alle vereisten betreffende de onafhankelijkheid van de centrale bank, het verbod op monetaire financiering, de eisen voor de uniforme spelling van ‘euro’ en de juridische integratie in het Eurosysteem. Hongarije is een EU-lidstaat met een derogatie en moet derhalve, krachtens artikel 131 van het Verdrag, aan alle aanpassingsvereisten voldoen.
4.3 Polen
In Polen bedroeg de twaalfmaands gemiddelde HICP-inflatie in mei 2026 2,9%. Deze lag daarmee boven de referentiewaarde van 2,7% voor het prijsstabiliteitscriterium. Naar verwachting zal dit percentage de komende maanden geleidelijk stijgen, voornamelijk als gevolg van hogere grondstoffenprijzen en een verbreding van de inflatoire druk in verband met de oorlog in het Midden-Oosten. Tegelijkertijd houdt de opwaartse inflatiedruk aan door de krappe arbeidsmarktomstandigheden, ondanks enige afkoeling. Tenzij het wordt gecompenseerd door een stijging van de nominale wisselkoers, kan het verdere inhaalproces voor het bbp per hoofd van de bevolking en de prijsniveaus tot positieve inflatieverschillen ten opzichte van het eurogebied leiden, vooral als dit gepaard zou gaan met onhoudbare ontwikkelingen in de krediet- en activaprijzen.
Polen heeft sinds 2024 te maken met een buitensporigtekortprocedure. Het begrotingstekort van Polen bedroeg in 2025 7,3% van het bbp, d.w.z. aanzienlijk boven de referentiewaarde van 3%, terwijl de schuldquote met 59,7% onder de referentiewaarde van 60% lag. Polen moet zijn buitensporig tekort uiterlijk in 2028 corrigeren. In juni 2026 heeft de Europese Commissie de buitensporigtekortprocedure tegen Polen opgeschort.
De Poolse zloty heeft gedurende de tweejaars referentieperiode van 18 juni 2024 tot en met 17 juni 2026 niet deelgenomen aan het ERM II. De munt werd verhandeld op basis van een vlottende wisselkoers. Gedurende de referentieperiode liet de wisselkoers van de Poolse zloty ten opzichte van euro gemiddeld een relatief hoge volatiliteit zien. De koers van de zloty stond op 17 juni 2026 op 4,241 per euro en was daarmee 1,9% hoger dan het gemiddelde van juni 2024.
Gedurende de referentieperiode van juni 2025 tot en met mei 2026 bedroeg de lange rente in Polen gemiddeld 5,4%. Die lag daarmee boven de referentiewaarde van 5,1% voor het renteconvergentiecriterium. De spread tussen de lange rente in Polen en de (bbp-gewogen) rente in het eurogebied daalde en bedroeg aan het einde van de referentieperiode 2,3 procentpunt. De kapitaalmarkten in Polen zijn kleiner en veel minder ontwikkeld dan die in het eurogebied.
De Poolse wetgeving voldoet niet aan alle vereisten betreffende de onafhankelijkheid van de centrale bank, geheimhouding, het verbod op monetaire financiering en de juridische integratie in het Eurosysteem. Polen is een EU-lidstaat met een derogatie en moet derhalve, krachtens artikel 131 van het Verdrag, aan alle aanpassingsvereisten voldoen.
4.4 Roemenië
In mei 2026 bedroeg de twaalfmaands gemiddelde HICP-inflatie in Roemenië 8,4%. Deze lag daarmee aanzienlijk boven de referentiewaarde van 2,7% voor het prijsstabiliteitscriterium. Naar verwachting zal dit percentage de komende maanden hoog blijven, deels vanwege hogere grondstoffenprijzen en een verbreding van de inflatoire druk in verband met de oorlog in het Midden-Oosten. Tegelijkertijd zullen gunstige basiseffecten als gevolg van de verhoging van de indirecte belastingen in 2025 en van de binnenlandse elektriciteitsprijzen bij een zwak particulier verbruik op korte termijn waarschijnlijk een neerwaarts effect hebben op de inflatie. Er is reden tot zorg over de duurzaamheid van de inflatieconvergentie in Roemenië op langere termijn. Tenzij het wordt gecompenseerd door een stijging van de nominale wisselkoers, kan het inhaalproces voor het bbp per hoofd van de bevolking en de prijsniveaus tot positieve inflatieverschillen ten opzichte van het eurogebied leiden, vooral als dit gepaard zou gaan met onhoudbare ontwikkelingen in de krediet- en activaprijzen.
Roemenië heeft sinds 2020 te maken met een buitensporigtekortprocedure. Het begrotingstekort van Roemenië bedroeg in 2025 7,9% bbp, dat wil zeggen aanzienlijk boven de referentiewaarde van 3%, terwijl de schuldquote met 59,3% onder de referentiewaarde van 60% lag. Roemenië moet uiterlijk in 2030 een einde maken aan zijn buitensporig tekort. In juni 2026 heeft de Europese Commissie de buitensporigtekortprocedure tegen Roemenië opgeschort.
In de referentieperiode van 18 juni 2024 tot en met 17 juni 2026 maakte de Roemeense leu geen deel uit van het ERM II. De munt werd verhandeld op basis van een wisselkoersstelsel waarbij sprake was van een gereguleerd zwevende wisselkoers. Gedurende de referentieperiode liet de wisselkoers van de Roemeense leu gemiddeld een lage volatiliteit ten opzichte van de euro zien. De koers van de leu stond op 17 juni 2026 op 5,232 leu per euro en was daarmee 5,1% lager dan het gemiddelde van juni 2024. Banca Naţională a României kwam in juni 2020 met de ECB een repofaciliteit overeen op grond waarvan ze maximaal € 4,5 miljard kon lenen tegen hoogwaardig onderpand in euro’s om Roemeense financiële instellingen van liquiditeit in euro’s te voorzien. Deze overeenkomst werd in januari 2025 voor twee jaar verlengd en bleef dus van kracht tijdens de referentieperiode.
Gedurende de referentieperiode van juni 2025 tot en met mei 2026 bedroeg de lange rente in Roemenië gemiddeld 6,7%.Die lag daarmee boven de referentiewaarde van 5,1% voor het criterium van renteconvergentie. De spread tussen de lange rente in Roemenië en de (bbp-gewogen) rente in het eurogebied daalde heel licht en bedroeg aan het einde van de referentieperiode 2,7 procentpunt. De kapitaalmarkten in Roemenië zijn veel kleiner dan die in het eurogebied en zijn nog steeds onderontwikkeld.
De Roemeense wetgeving voldoet niet aan alle vereisten betreffende de onafhankelijkheid van de centrale bank, het verbod op monetaire financiering en de juridische integratie in het Eurosysteem. Roemenië is een EU-lidstaat met een derogatie en moet derhalve, krachtens artikel 131 van het Verdrag, aan alle aanpassingsvereisten voldoen.
4.5 Zweden
Zweden kende in mei 2026 een twaalfmaands gemiddelde HICP-inflatie die met 2,2% onder de referentiewaarde van 2,7% voor het prijsstabiliteitscriterium lag. Dit cijfer zal de komende maanden naar verwachting geleidelijk dalen, voornamelijk als gevolg van de lagere belasting over de toegevoegde waarde op voedingsmiddelen en de doorwerking van de wisselkoersstijging in 2025. Deze daling wordt echter waarschijnlijk deels tenietgedaan door hogere grondstoffenprijzen en een verbreding van de inflatoire druk als gevolg van de oorlog in het Midden-Oosten. Naar verwachting blijft de inflatie in Zweden in 2026 en 2027 onder de doelstelling van Sveriges Riksbank. Het monetair beleid en het op stabiliteit gerichte institutionele kader van Zweden zullen de realisatie van prijsstabiliteit in de toekomst waarschijnlijk verder ondersteunen.
Zweden is momenteel niet het onderwerp van een Raadsbesluit betreffende het bestaan van een buitensporig tekort. Het begrotingstekort van Zweden lag in 2025 met 1,3% bbp ruim onder de referentiewaarde van 3%, terwijl de schuldquote met 35,1% ruim onder de referentiewaarde van 60% uitkwam.
Gedurende de tweejaars referentieperiode van 18 juni 2024 tot en met 17 juni 2026 heeft de Zweedse krona niet deelgenomen aan het ERM II. De munt werd verhandeld op basis van een vlottende wisselkoers. De wisselkoers van de Zweedse krona vertoonde gedurende de referentieperiode gemiddeld genomen een hoge mate van volatiliteit ten opzichte van de euro. De koers van de krona stond op 17 juni 2026 op 10,891 per euro en was daarmee 3,5% hoger dan het gemiddelde van juni 2024. Gedurende de referentieperiode had Sveriges Riksbank een swapovereenkomst met de ECB om tegen Zweedse krona tot € 10 miljard te lenen. De overeenkomst is sinds 20 december 2007 van kracht.
Gedurende de referentieperiode van juni 2025 tot en met mei 2026 bedroeg de lange rente in Zweden gemiddeld 2,6%. Deze bleef daarmee ruim onder de referentiewaarde van 5,1% voor het renteconvergentiecriterium. De spread tussen de lange rente in Zweden en de gemiddelde rente in het eurogebied liet een zeer kleine stijging zien en bedroeg aan het einde van de referentieperiode -0,7 procentpunt. De kapitaalmarkten in Zweden zijn sterk ontwikkeld in vergelijking met die in het eurogebied.
De Zweedse wetgeving voldoet niet aan alle vereisten betreffende de onafhankelijkheid van de centrale bank, het verbod op monetaire financiering en de juridische integratie in het Eurosysteem. Zweden is een EU-lidstaat met een derogatie en moet daarom, krachtens artikel 131 van het Verdrag, aan alle aanpassingsvereisten voldoen. Uit hoofde van het Verdrag is Zweden sinds 1 juni 1998 verplicht zijn nationale wetgeving aan te passen met het oog op de integratie in het Eurosysteem.
Woord van dank
Dit convergentieverslag is gecoördineerd en opgesteld door het directoraat-generaal Economie van de ECB, waarbij dankbaar gebruik is gemaakt van de input, opmerkingen en suggesties van andere organisatieonderdelen binnen de ECB, in het bijzonder de directoraten-generaal Juridische Zaken, Monetair Beleid en Statistieken. Een speciaal woord van dank gaat uit naar de opmerkingen van de nationale centrale banken in de EU en, in het bijzonder, van de deelnemers aan de Editorial Group voor het convergentieverslag van juni 2026.Het convergentieverslag is op 19 juni 2026 goedgekeurd door de Algemene Raad van de ECB.De economische onderdelen zijn opgesteld door Ursel Baumann, Martin Bijsterbosch, Alexandra Olivia Coldea, Matteo Falagiarda, Michael Fidora, Christine Gartner, Nadine Leiner-Killinger, Christiane Nickel, Steffen Osterloh, Philipp Rother, Gábor Vincze, Giovanni Vitale en Caroline Willeke.Daarnaast hebben Ginevra Aguiari, Miguel Ampudia, Ana Bairrao, Klára Bakk Simon, Nicolai Benalal, Othman Bouabdallah, Francesco Chiacchio, Livia Chitu, Roberta De Stefani, Virginia Di Nino, Martin Eiglsperger, Patrick Grussenmeyer, Stephan Haroutunian, Jürgen Herr, Stanimira Kosekova, Dimitrios Laskos, Elena Lourenço, Christophe Madaschi, Silvia Márquez Thibaut, Antonio Moreno, Ralica Müller, Carolin Nerlich, Jerzy Niemczyk, Hans Olsson, Elvira Rosati en Martina Viggiano een bijdrage geleverd.De juridische onderdelen zijn opgesteld door Axel-Johannes Korb, Christian Kroppenstedt en Chiara Zilioli.Daarnaast hebben David Baez Seara, Alina Grosu, Karen Kaiser, Justyna Kurzela, Simona Lambrinoc, Sarah Levy, Fabian von Lindeiner, Margot Littlefair en Marta Szablewska een bijdrage geleverd.
© Europese Centrale Bank 2026
Postadres 60640 Frankfurt am Main, Duitsland
Telefoon +49 69 1344 0
Website www.ecb.europa.eu
Alle rechten voorbehouden. Reproductie voor educatieve en niet-commerciële doeleinden is alleen toegestaan met bronvermelding.
Zie voor een verklaring van de terminologie de ECB-woordenlijst.
HTML ISBN 978-92-899-7879-8, ISSN 1725-955X, doi:10.2866/4615510, QB-01-26-131-NL-Q
In de tabellen gebruikte conventies
- geen gegevens voorhanden/gegevens zijn niet van toepassing
“.” gegevens zijn nog niet beschikbaar
Tenzij anders aangegeven, gaat het bij alle verwijzingen naar het ‘Verdrag’ in dit verslag om het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Verwijzingen naar artikelnummers betreffen de nummering die sinds 1 december 2009 van kracht is. Tenzij anders aangegeven, gaat het bij alle verwijzingen naar de ‘Verdragen’ in dit verslag om het Verdrag betreffende de Europese Unie en om het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Deze termen worden ook toegelicht in de ECB web glossary.
Toen in 1992 het Verdrag van Maastricht werd gesloten, is voor Denemarken een vrijstelling of ‘opt-out’ opgenomen, op grond waarvan het land niet aan de derde fase van de Economische en Monetaire Unie hoeft deel te nemen en dus ook de euro niet hoeft in te voeren.
Op 4 november 2014 nam de ECB de taken op zich die haar zijn opgedragen uit hoofde van Verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad van 15 oktober 2013, waarbij aan de Europese Centrale Bank specifieke taken worden opgedragen betreffende het beleid inzake het prudentieel toezicht op kredietinstellingen (PB L 287 van 29.10.2013, blz. 63). Zie artikel 33, lid 2, van die verordening.
Zie overweging 10 van Verordening (EU) nr. 468/2014 van de Europese Centrale Bank van 16 april 2014 tot vaststelling van een kader voor samenwerking binnen het Gemeenschappelijk Toezichtsmechanisme tussen de Europese Centrale Bank en nationale bevoegde autoriteiten en met nationale aangewezen autoriteiten (GTM-kaderverordening) (ECB/2014/17) (PB L 141 van 14.5.2014, blz. 1).
Verordening (EG) Nr. 1467/97 van de Raad van 7 juli 1997 over de bespoediging en verduidelijking van de tenuitvoerlegging van de procedure bij buitensporige tekorten (PB L 209 van 2.8.1997, blz. 6).
Verordening (EU) Nr. 1177/2011 van de Raad van 8 november 2011 tot wijziging van Verordening (EG) Nr. 1467/97 over de bespoediging en verduidelijking van de tenuitvoerlegging van de procedure bij buitensporige tekorten (PB L 306 van 23.11.2011, blz. 33).
Verordening (EU) Nr. 2024/1264 van de Raad van 29 april 2024 tot wijziging van Verordening (EG) Nr. 1467/97 over de bespoediging en verduidelijking van de tenuitvoerlegging van de procedure bij buitensporige tekorten (PB L, 2024/1264 van 30.4.2024).
Het netto-uitgaventraject is vastgesteld door de Raad van de EU, krachtens Verordening (EU) 2024/1263 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2024 betreffende de effectieve coördinatie van het economisch beleid en betreffende het multilaterale begrotingstoezicht en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1466/97 van de Raad (PB L 2024/1263 van 30.4.2024). Binnen het nieuwe kader voor economische governance wordt de lidstaten gevraagd om nationale budgettair-structurele plannen voor de middellange termijn in te dienen, met inbegrip van een toezegging tot een netto-uitgaventraject, dat effectief een begrotingsbeperking inhoudt voor de duur van het plan, voor vier of vijf jaar. Op basis van de beoordeling van het plan door de Commissie stelt Raad een aanbeveling vast waarin deze het netto-uitgaventraject van de betrokken lidstaat vastlegt.
Verordening (EG) Nr. 1466/97 van de Raad van 7 juli 1997 over versterking van het toezicht op begrotingssituaties en het toezicht op en de coördinatie van het economisch beleid (PB L 209 van 2.8.1997, blz.1).
Richtlijn 2011/85/EU van de Raad van 8 november 2011 tot vaststelling van voorschriften voor de begrotingskaders van de lidstaten (PB L 306 van 23.11.2011, blz. 41).
Zie Europese Commissie, Accommodating increased defence expenditure within the Stability and Growth Pact, Mededeling van de Commissie, C(2025) 2000 final, Brussel, 19 maart 2025.
Zie Raad van de Europese Unie, Gecoördineerde activering van de nationale ontsnappingsclausule, persmededeling, 30 april 2025.
De rente wordt gemeten op basis van de beschikbare geharmoniseerde lange rente, die ten behoeve van de convergentietoetsing is ontwikkeld (zie hoofdstuk 6 van de integrale Engelstalige versie van dit convergentieverslag).
Zie overweging 2 van Verordening (EU) nr. 1176/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 betreffende de preventie en correctie van macro-economische onevenwichtigheden (PB L 306 van 23/11/2011, blz. 25).
Adviezen CON/2010/37 en CON/2010/91. Alle ECB-adviezen worden gepubliceerd op EUR-Lex.
Beschikking 98/317/EG van de Raad van 3 mei 1998 overeenkomstig artikel 109 J lid 4, van het Verdrag (PB L 139 van 11.5.1998, blz. 30). NB: De titel van Beschikking 98/317/EG verwijst naar het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (vóór de hernummering van de artikelen van dit Verdrag overeenkomstig artikel 12 van het Verdrag van Amsterdam); deze bepaling is onder het Verdrag van Lissabon ingetrokken.
Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek en de aanpassing van de Verdragen waarop de Europese Unie is gegrond (PB L 236 van 23.9.2003, blz. 33).
Voor Roemenië, zie artikel 5 van de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden van de Republiek Bulgarije en Roemenië en de aanpassing van de Verdragen waarop de Europese Unie is gegrond (PB L 157, 21.6.2005, blz. 203).
Met name de Convergentieverslagen van de ECB van juni 2025 (betreffende Bulgarije), van juni 2024 (betreffende Bulgarije, de Tsjechische Republiek, Hongarije, Polen, Roemenië en Zweden), van juni 2022 (betreffende Bulgarije, de Tsjechische Republiek, Kroatië, Hongarije, Polen, Roemenië en Zweden), juni 2020 (betreffende Bulgarije, de Tsjechische Republiek, Kroatië, Hongarije, Polen, Roemenië en Zweden), mei 2018 (betreffende Bulgarije, de Tsjechische Republiek, Kroatië, Hongarije, Polen, Roemenië en Zweden), juni 2016 (betreffende Bulgarije, de Tsjechische Republiek, Kroatië, Hongarije, Polen, Roemenië en Zweden), van juni 2014 (betreffende Bulgarije, de Tsjechische Republiek, Kroatië, Litouwen, Hongarije, Polen, Roemenië en Zweden), van juni 2013 (betreffende Letland), van mei 2012 (betreffende Bulgarije, de Tsjechische Republiek, Letland, Litouwen, Hongarije, Polen, Roemenië en Zweden), van mei 2010 (betreffende Bulgarije, de Tsjechische Republiek, Estland, Letland, Litouwen, Hongarije, Polen, Roemenië en Zweden), van mei 2008 (betreffende Bulgarije, de Tsjechische Republiek, Estland, Letland, Litouwen, Hongarije, Polen, Roemenië, Slowakije en Zweden), van mei 2007 (betreffende Cyprus en Malta), van december 2006 (betreffende Tsjechische Republiek, Estland, Cyprus, Letland, Hongarije, Malta, Polen, Slowakije en Zweden), van mei 2006 (betreffende Litouwen en Slovenië), van oktober 2004 (betreffende de Tsjechische Republiek, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Slovenië, Slowakije en Zweden), van mei 2002 (betreffende Zweden) en van april 2000 (betreffende Griekenland en Zweden), en het EMI-Convergentieverslag van maart 1998.
Met betrekking tot de taken en bevoegdheden die gedeeltelijk aan de ECB zijn toegekend mag nationale wetgeving geen afbreuk doen aan de taken en bevoegdheden die aan de ECB zijn toegekend. Zie Advies CON/2020/15.
Zie onder meer Commissie van de Europese Gemeenschappen/ Franse Republiek, C-265/95, ECLI:EU:C:1997:595.
Zie punt 12 van Advies CON/2005/21, punt 2.4 van Advies CON/2022/15 en punt 2.6 van Advies CON/2023/27.
Arrest van het Hof van Justitie van 7 februari 1973, Commissie/Italië, zaak 39/72, EU:C:1973:13, punten 16 en 17; arrest van het Hof van Justitie van 10 oktober 1973, Variola, zaak C-34/73, ECLI:EU:C:1973:101, punten 9 tot en met 11; arrest van het Hof van Justitie van 2 februari 1977, Amsterdam Bul, zaak C-50/76, EU:C:1977:13, punten 5 tot en met 8. Zie ook punt 12 van Advies CON/2005/21, punt 2.1 van Advies CON/2006/10, punt 2.4 van Advies CON/2006/29, punt 2.1 van Advies CON/2007/1, punt 2.2 van Advies CON/2007/43, punt 2.3 van Advies CON/2022/15, punt 2.3 van Advies CON/2023/27, punt 2.5 van Advies CON/2024/12 en punt 2.2 van Advies CON/2025/43.
Bijvoorbeeld krachtens de relevante bepalingen van Verordening (EG) nr. 974/98 van de Raad van 3 mei 1998 over de invoering van de euro (PB L 139 van 19.5.1998, blz. 1) of andere bepalingen van Unierecht.
Arrest van het Hof van Justitie van 26 januari 2021, Hessischer Rundfunk, gevoegde zaken C-422/19 C-423/19, ECLI:EU:C:2021:63, punten 38 en 39, arrest van het Hof van Justitie van 20 april 2023, Brink’s Lithuania, zaak C-772/21, ECLI:EU:C:2023:305, punten 56 en 57.
Zie punt 2.2 (voetnoot 6) van Advies CON/2007/43, punt 2.4 van Advies CON/2022/15, punt 2.6 van Advies CON/2023/27, punt 2.7 van Advies CON/2024/12, en punt 2.3 van Advies CON/2025/43.
Zie punt 13 van Advies CON/2005/21, punten 2.2 en 3.2 van Advies CON/2006/10, punt 2.4 van Advies CON/2022/15, punt 2.6 van Advies CON/2023/27, punt 2.7 van Advies CON/2024/12 en punt 2.3 van Advies CON/2025/43.
Zie punt 2,6 van Advies CON/2023/27, punt 2.8 van Advies CON/2024/12 en punt 2.3 van Advies CON/2025/43.
98/415/EG: Beschikking van de Raad van 29 juni 1998 betreffende de raadpleging van de Europese Centrale Bank door de nationale autoriteiten over ontwerpen van wettelijke bepalingen (PB L 189 van 3.7.1998, blz. 42).
Dit geldt ook voor de geheimhoudingsplicht van het ESCB, zie paragraaf 2.2.4 van dit convergentieverslag.
Advies CON/2011/104.
Zie punt 2.3 van Advies CON/2019/15, punt 2.2 van Advies CON/2024/24 en punt 2.2 van Advies CON/2025/2. Zie ook Commissie//Europese Centrale Bank, zaak C-11/00,ECLI: EU:C:2003:395, punten 134 tot en met 136.
Advies CON/2019/23.
Zie punt 2.2 van Advies CON/2011/104 en punt 3.2.2 van Advies CON/2017/34.
Advies CON/2010/31.
Advies CON/2009/93.
Advies CON/2010/94.
Advies CON/2016/33.
Wat betreft het uitbrengen van stemmen in het algemeen, kan het geheime karakter van het stemrecht bijdragen tot het waarborgen van de onafhankelijkheid van de besluitvormende organen van een NCB. De mogelijkheid van open stemming wordt echter niet uitgesloten door het beginsel van institutionele onafhankelijkheid, zie punt 2.3 van Advies CON/2022/10.
Adviezen CON/2014/25 en CON/2015/57.
Advies CON/2018/17.
Zie punt 3.1.3. van Advies CON 2025/19, en punt 2.3 van de Adviezen CON/2025/23, CON/2025/27, CON/2025/32, CON/2025/33, CON/2025/36, CON/2025/38, CON/2026/1 en CON/2026/2.
Zie LR Ģenerālprokuratūra, zaak C-3/20, ECLI:EU:C:2021:969, punt 43.
Zie Rimšēvičs en ECB/Latvia, gevoegde zaken C-202/18 en C-238/18, ECLI:EU:C:2019:139, punt 76.
Zie Rimšēvičs en ECB/Latvia, gevoegde zaken C-202/18 en C-238/18, ECLI:EU:C:2019:139, punt 52, en punt 3.7 van Advies CON/2011/9.
Zie bijvoorbeeld de Adviezen CON/2010/56, CON/2010/80, CON/2011/104, CON/2011/106 en CON/2025/13.
Zie punt 3.3.3 van Advies CON/2024/38.
Advies CON/2018/23.
Advies CON/2012/89.
Adviezen CON/2018/17, CON/2019/19 en CON/2019/36.
Advies CON/2018/53.
Zie Advies CON/2019/36 en de conclusie van advocaat-generaal Kokott in de zaak Rimšēvičs en ECB/Letland, gevoegde zaken C-202/18 en C-238/18, ECLI: EU:2018:1030, punt 77.
Zie Rimšēvičs en ECB/Letland, gevoegde zaken C-202/18 en C-238/18, ECLI:EU:C:2019:139, punt 92. ‘Het staat aan het Hof om in het kader van zijn bevoegdheden krachtens artikel 14.2, tweede alinea, van de statuten van het ESCB en van de ECB te verifiëren dat een aan de betrokken president opgelegd voorlopig verbod om zijn ambt uit te oefenen slechts wordt uitgevaardigd wanneer er voldoende aanwijzingen bestaan dat hij op ernstige wijze is tekortgeschoten en een dergelijke maatregel dus gerechtvaardigd is.’
Adviezen CON/2004/35, CON/2005/26, CON/2006/32, CON/2006/44, CON/2007/6, CON/2019/19, CON/2019/24, CON/2025/27, CON/2025/33, CON/2025/36, CON/2026/1 en CON/2026/2.
Advies CON/2022/45.
In dit verband staat het de lidstaten vrij om de voorwaarden vast te stellen voor de benoeming van de leden van de besluitvormende organen van hun NCB’s, op voorwaarde dat deze niet in strijd zijn met de kenmerken van de onafhankelijkheid van de centrale bank zoals deze uit de Verdragen volgt. Zie de Adviezen CON/2018/23, CON/2020/19 en CON/2021/9.
Adviezen CON/2021/7 en CON/2023/17.
Adviezen CON/2014/24, CON/2014/27, CON/2014/56 en CON/2017/17.
Adviezen CON/2023/17 en CON/2023/44. Zie ook Banka Slovenije, zaak C-45/21, ECLI:EU:C:2022:670, punt 105.
Artikel 30.4 van de ESCB-statuten is alleen van toepassing binnen het Eurosysteem.
Artikel 33.2 van de ESCB-statuten is alleen van toepassing binnen het Eurosysteem.
Adviezen CON/2018/17, CON/2020/13, CON/2022/37,CON/2023/17 en CON/2023/24.
Verordening (EG) 1009/2000 van de Raad van 8 mei 2000 betreffende kapitaalverhogingen van de Europese Centrale Bank (Pb L 115, 16.5.2000, blz. 1).
Besluit ECB/2010/26 van 13 December 2010 inzake de verhoging van het kapitaal van de Europese Centrale Bank (PB L 11 van 15.1.2011, blz. 53).
De meest bepalende ECB-adviezen op dit gebied zijn: Adviezen CON/2002/16, CON/2003/22, CON/2003/27, CON/2004/1, CON/2006/38, CON/2006/47, CON/2007/8, CON/2008/13, CON/2008/68 en CON/2009/32.
Advies CON/2019/12.
Advies CON/2019/19.
Voor de werkzaamheden van onafhankelijke externe accountants van de NCB’s, zie artikel 27.1 van de ESCB-statuten.
Adviezen CON/2011/9, CON/2011/53, CON/2015/57 en CON/2018/17.
Adviezen CON/2015/8, CON/2015/57, CON/2016/24, CON/2016/59 en CON/2018/17.
Adviezen CON/2017/17 en CON/2018/17.
Adviezen CON/2009/85, CON/2017/17, CON 2022/37, CON/2023/24 en punt 3.2 van Advies CON/2024/32.
Adviezen CON/2009/26 en CON/2013/15.
Zie punt 3.7 van Advies CON/2019/23 en punt 2.9 van Advies CON/2025/39.
Adviezen CON/2009/59 en CON/2009/63.
Adviezen CON/2009/53, CON/2009/83 en CON/2019/21.
Adviezen CON/2009/26, CON/2012/69 en CON/2020/13.
Advies CON/2021/7.
Advies CON/2019/19.
Adviezen CON/2008/9, CON/2008/10, CON/2012/89 en CON/2023/37.
Advies CON/2019/19.
Adviezen CON/2010/42, CON/2010/51, CON/2010/56, CON/2010/69, CON/2010/80, CON/2011/104, CON/2011/106, CON/2012/6, CON/2012/86, CON/2014/7 en CON/2023/37.
Advies CON/2014/38.
Advies CON/2021/16.
Adviezen CON/2015/8 en CON/2015/57.
Verordening (EG) nr. 3603/93 van de Raad van 13 december 1993 tot vaststelling van de definities voor de toepassing van de in artikel 104 en artikel 104 B, lid 1, van het Verdrag vastgelegde verbodsbepalingen (PB L 332 van 31.12.1993, blz. 1). Artikel 104 en 104 B, lid 1, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap zijn nu genummerd artikel 123 en artikel 125, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
Peter Gauweiler e.a., zaak C-62/14, EU:C:2015:400, punt 100. Artikel 123 van het Verdrag dient ook het doel van handhaving van prijsstabiliteit en versterkt de onafhankelijkheid van de centrale bank.
Zie het Convergentieverslag 2008, voetnoot 13, met een lijst van tussen mei 1995 en maart 2008 goedgekeurde fundamentele EMI/ECB adviezen.
Overweging 14 en artikel 7 van Verordening (EG) nr. 3603/93. Zie bijvoorbeeld de Adviezen CON/2016/21, CON/2017/4, CON/2020/37 en CON/2021/23.
Zie Advies CON/2021/39.
Banka Slovenije, zaak C-45/21, EU:C:2022:670, punten 53, 54, 57 en 97. Zie bijvoorbeeld punt 2.2 van Advies CON/2022/39, punt 2.2.1 van Advies CON/2023/17 en punt 2.3 van Advies CON/2023/44.
Banka Slovenije, zaak C-45/21, ECLI:EU:C:2022:670, punten 67 tot en met 75 en 84. Zie bijvoorbeeld punt 3.1 van Advies CON/2022/39, punt 2.2.2 van Advies CON/2023/17 en punt 3.1.1 van Advies CON/2023/44.
Adviezen CON/2011/91 en CON/2011/99.
Adviezen CON/2009/59 en CON/2009/63.
Zie punt 3.6 van Advies CON/2019/23 en punt 2.8 van Advies CON/2025/39.
Zie punt 3.7 van Advies CON/2019/23 en punt 2.9 van Advies CON/2025/39.
Advies CON/2013/56.
Banka Slovenije, zaak C-45/21, ECLI:EU:C:2022:670, punt 71.
Banka Slovenije, zaak C-45/21, ECLI:EU:C:2022:670, punt 75. Zie bijvoorbeeld punt 2.2.3 van Advies CON/2023/17 en de punten 3.1.2 en 3.1.3 van Advies CON/2023/44.
Punt 2.2.3 van Advies CON/2023/17.
Punt 3.2.3 van Advies CON/2024/31.
Adviezen CON/2012/50, CON/2012/64 en CON/2012/71.
Advies CON/2012/4, voetnoot 42 onder verwijzing naar relevante adviezen ter zake. Zie tevens de Adviezen CON/2016/55 en CON/2017/1.
Adviezen CON/2020/24 en CON/2021/17.
Adviezen CON/2015/22, CON/2016/28 en CON/2019/16.
Adviezen CON/2011/103, CON/2012/99, CON/2015/3 en CON/2015/22.
Adviezen CON/2015/33, CON/2015/35 en CON/2016/60.
Overweging 27 bij Richtlijn 2014/49/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende depositogarantiestelsels (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 149).
Overweging 23 bij Richtlijn 97/9/EG van het Europees Parlement en de Raad van 3 maart 1997 betreffende beleggerscompensatiestelsels (PB L 84 van 26.3.1997, blz. 22).
Adviezen CON/2020/24 en CON/2021/17.
Advies CON/2011/84.
Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 3603/93 en Advies CON/2013/2.
Artikel 5 van Verordening (EG) nr. 3603/93.
Artikel 6 van Verordening (EG) nr. 3603/93.
Advies CON/2013/3.
Adviezen CON/2009/23, CON/2009/67 en CON/2012/9.
Zie onder meer de Adviezen CON/2010/54, CON/2010/55 en CON/2013/62.
Advies CON/2012/9.
Zie in die zin arrest Smaranda Bara e.a./Casa Nabeit ională de Asigurări de Sănătate e.a. , zaak C-201/14, ECLI:EU:C:2015:638, punt 22; en Peter Gauweiler e.a., zaak C-62/14, ECLI:EU:C:2015:400, punt 100.
Verordening (EG) nr. 3604/93 van de Raad van 13 december 1993 tot vaststelling van de definities voor de toepassing van de in artikel 104 en artikel 104 B, lid 4, van het Verdrag vastgelegde verbodsbepalingen (PB L 332, 31.12.1993, blz.4). Artikel 104 A van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap is nu artikel 124 van het Verdrag.
Zie artikel 3, lid 2, en overweging 10 van Verordening (EG) nr. 3604/93.
Advies van advocaat-generaal Elmer in Société civile immobilière Parodi/Banque H. Albert de Bary et Cie., zaak C-222/95, ECLI:EU:C:1997:345, punt 24.
Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 1) en Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 338).
Artikel 4, lid 1, punt 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013.
Artikel 8 van Richtlijn 2013/36/EU.
Dit wordt ondersteund door artikel 3, lid 2, en overweging 9, van Verordening (EG) nr. 3604/93.
Richtsnoer (EU) 2015/510 van de Europese Centrale Bank van 19 december 2014 betreffende de tenuitvoerlegging van het monetairbeleidskader van het Eurosysteem (richtsnoer algemene documentatie) (ECB/2014/60) (PB L 91 van 2.4.2015, blz. 3).
Hoe hoger het reservevereiste wordt vastgesteld, des te minder middelen de banken zouden moeten uitlenen hetgeen leidt tot een lagere geldschepping.
Zie artikel 19 van de ESCB-statuten; Verordening (EG) nr. 2531/98 van de Raad van 23 november 1998 met betrekking tot de toepassing van reserveverplichtingen door de Europese Centrale Bank (PB L 318 van 27.11.1998, blz. 1), Verordening (EG) nr. 1745/2003 van de Europese Centrale Bank van 12 september 2003 inzake de toepassing van reserveverplichtingen (ECB/2003/9) (PB L 250 van 2.10.2003, blz. 10) en Verordening (EU) nr. 1071/2013 van de Europese Centrale Bank van 24 september 2013 met betrekking tot de balans van de sector monetaire financiële instellingen (ECB/2013/33) (PB L 297 van 7.11.2013, blz. 1).
De ‘Verklaring van de Republiek Letland, de Republiek Hongarije en de Republiek Malta over de spelling van de naam van de enige munteenheid in de Verdragen’, die aan de verdragen zijn gehecht, bepaalt dat: ‘Onverminderd de uniforme spelling van de naam van de in de Verdragen bedoelde enige munteenheid van de Europese Unie zoals die op de bankbiljetten en munten staat, verklaren Letland, Hongarije en Malta dat de spelling van de naam van de enige munteenheid en van de afgeleide vormen daarvan in de Letse, Hongaarse en Maltese tekst van de Verdragen geen gevolgen heeft voor de bestaande regels van de Letse, Hongaarse en Maltese taal.’
Advies CON/2012/87.
Advies CON/2020/2.
Adviezen CON/2010/30 en CON/2010/48.
Zie met name de artikelen 127 en 128 van het Verdrag en de artikelen 3 tot en met 6 en 16 van de ESCB-Statuten.
Artikel 127, lid 2, eerste streepje, van het Verdrag.
Adviezen CON/2012/105, CON/2013/90 en CON/2013/91.
Bijvoorbeeld, nationale wettelijke bepalingen tot omzetting van Richtlijn 2011/85/EU van de Raad van 8 november 2011 tot vaststelling van voorschriften voor de begrotingskaders van de lidstaten (PB L 306 van 23.11.2011, blz. 41). Zie de Adviezen CON/2013/90 en CON/2013/91.
Adviezen CON/2009/99, CON/2011/79 en CON/2017/1.
Advies CON/2010/8.
Punt 3.1 van Advies CON/2024/1 en de punten 2.3, 2.4 en 2.5 van Advies CON/2024/26.
Advies CON/2008/34.
Artikel 127, lid 2, derde streepje, van het Verdrag.
Met uitzondering van werksaldi in buitenlandse valuta’s die de regeringen van de lidstaten krachtens artikel 127, lid 3, van het Verdrag mogen aanhouden.
Zie punt 3.5 van Advies CON/2019/23 en punt 2.7 van Advies CON/2025/39.
In dit verband moet nationale wetgeving consistentie met de in het Unierecht opgenomen rapportageverplichtingen verzekeren. Zie Advies CON/2020/29.
Advies CON/2013/88.
Adviezen CON/2015/5 en CON/2015/24.
Artikel 26 van de ESCB-statuten.
Artikel 27 van de ESCB-statuten.
Artikel 28 van de ESCB-statuten.
Artikel 30 van de ESCB-statuten.
Artikel 32 van de ESCB-statuten.
Punt 2.1 en de punten 3.2 tot en met 3.4 van Advies CON/2022/37, punten 2.1, 2.2 en 3.1 tot en met 3.5 van Advies CON/2023/24 en punt 3.2 van Advies CON/2024/32.
Voor dit verslag worden wisselkoersen uitgedrukt in eenheden nationale valuta’s per euro. Een daling van de wisselkoers stemt dus overeen met een appreciatie van de valuta ten opzichte van de euro en een stijging van de wisselkoers komt overeen met een depreciatie van de valuta ten opzichte van de euro, waarbij de procentuele mutaties de mate van appreciatie of depreciatie van de valuta aangeven.
Het meten van de institutionele kwaliteit is van nature complex en vergt een zekere mate van oordeelsvorming. Peilingen bieden een brede vergelijkbaarheid tussen landen en geven meerdere dimensies van governance weer, maar de absolute waarden ervan moeten met de nodige behoedzaamheid worden geïnterpreteerd. Ze kunnen worden beïnvloed door recente gebeurtenissen, de opzet van de enquête of de vooringenomenheid van respondenten, en indicatoren die uitsluitend op de formele inhoud van de wetgeving zijn gebaseerd weerspiegelen mogelijk niet volledig de uitvoering in de praktijk. Grensoverschrijdende maatstaven van institutionele kwaliteit moeten daarom worden aangevuld met meer gedetailleerde, landspecifieke beoordelingen. Niettemin mogen meetproblemen geen afbreuk doen aan het belang van institutionele kwaliteit als belangrijke determinant van groei, veerkracht en duurzame convergentie op lange termijn.

















